Waarom innovatie en design buzzwoorden zijn

Het artikel “Waarom innovatie en design buzzwoorden zijn” plaatste Jeroen van Erp eind vorige week op Idealize.nl, een platform rondom vernieuwing in Nederland.  Jeroen was hier afgelopen week gasthoofdredacteur en deelde met de lezers tevens zijn visie op de rol van interaction design bij projecten in de publieke ruimte en zijn bevindingen na de Masterclass  van Stephen Anderson over ’seduction’ bij Fabrique.

jeroen_idealize2

Jeroen van Erp gasthoofdredacteur Idealize

jeroen_idealize

Deze week is Jeroen van Erp (partner en creatief directeur Fabrique) gasthoofdredacteur bij Idealize, een platform rondom vernieuwing in Nederland.  Jeroen zal deze week dagelijkse berichten posten op deze site.  Lees zijn eerste bericht “A brand is an illusion. But we love it”.

jeroen_idealize_bal

Morgen alweer een nieuw bericht . Dan over een bijzondere masterclass…!

Design will never be the same!

Sir Clive

Mijn hart maakt altijd een sprongetje bij het zien van kansen. Het maakt me niet uit of dat nou een nieuw product, een nieuwe identiteit, een nieuwe website of een nieuwe dienst is. Centraal bij het zien van kansen staat altijd een beeld van de toekomst waar je in gelooft, waarbij de verandering die je creëert relevant blijkt te zijn. Niets mooier trouwens als je dit deelt met een opdrachtgever, maar dit terzijde.

Veranderingen gaan nooit vanzelf. Sterker nog: het doet altijd een beetje pijn dus moet je overtuigd zijn van je zaak en je niet al te snel van het padje af laten praten. Dat is waarschijnlijk waarom ik een zwak heb voor wat ik noem ‘veroorzakers’: mensen die bewust afwijken van de geldende conventies om zo de nieuwe norm te stellen. Hun kernkwaliteiten: visie, overtuiging en doorzettingsvermogen. Mijn stelregel luidt dan ook: een ontwerper moet zich opstellen als veroorzaker.

Dankzij een verhuizing stuitte ik op een krantenknipsel uit 1984. In het pre-internet tijdperk was ik een fanatiek knipselaar, iets waar je minimaal twintig jaar na dato trouwens pas lol van hebt. Het was een interview uit de Volkskrant met Sir Clive Sinclair, de Britse ronduit excentrieke high tech entrepeneur die in de jaren 70 furore maakte met de pocket calculator en in de eerste helft van de jaren tachtig zijn finest hour beleefde met het succes van de ZX-80 en ZX-Spectrum personal computers. Het artikel verhaalt over zijn heilige geloof in hoe technologie kan bijdragen aan het welzijn van de mensheid, Sinclair, veroorzaker avant la letter, was een visionair, uitvinder en ondernemer waarbij dat laatste niet helemaal van een leien dankje ging. Het interview sluit af met een prachtige quote van Sinclair over de toekomst: “Ieder van ons zal een eigen personal computer hebben met kunstmatige intelligentie, die ons zal kunnen informeren, onderhouden, onderwijzen en onze ziekten zal kunnen opsporen”. Dat gaat interviewster Michèle de Waard veels te ver en ze besluit het licht cynische artikel met: “Clive Sinclair blijft een man met een rijke verbeelding en buitengewone ideeën” (…)

Het was 1984, Apple had net de Macintosh geïntroduceerd waarbij Steve Jobs een hoop had opgestoken van Sinclair’s producten en capriolen. In de jaren die volgden ging het bergafwaarts met Sir Clive’s personal computer business, ingehaald door Amerikaanse rivalen. Begin 1985 werd de Sinclair C5 geïntroduceerd, een elektrische fiets die nog het meest gelijkenis vertoonde met een ligfiets zoals we die nu kennen. Het was een heuse paradigma verschuiving in techniek en vorm: de C5 was allesbehalve een horseless carriage – opvallend: alle huidige vormen van elektrisch rijden, behalve de Segway zijn dat in feite wel. Helaas werd de C5 werd een falicante mislukking. Er waren technische problemen maar het was vooral de Britse pers die geen moment voorbij liet gaan om er de draak mee te steken. Sinclair Vehicles Ltd zou het einde van ’85 niet halen. Begin jaren 90 probeerde hij het nog een keer met de Zike, een lichtgewicht elektrische fiets welke veel meer op een fiets leek dan de C5. Het werd een nog grotere mislukking dan de C5. De jaren daarna werd het stil rond Sir Clive, moegestreden en afgeserveerd. De grote veroorzaker was murw geslagen.

sinclair-c5
Laten we er geen doekjes om winden: Sinclair, inmiddels 70 is een hele malle man en het woord excentriek heeft door zijn toedoen een extra dimensie gekregen. Zo is ie een tijdlang professioneel pokeraar geweest op de Engelse tv en houdt hij zich nu bezig met de A-Bike, een ieniemienie vouwfietsje op skate wieltjes dat in Nederland hoogst waarschijnlijk geen hit zal worden. Het is natuurlijk de kunst om een goeie balans te vinden tussen het nieuwe en het vertrouwde of zoals Raymond Loewy ooit zei: most advanced, yet acceptable. Het creëren van relevantie is immers het hoogste doel. Dat laatste is niet helemaal gelukt. De C5 was echter een sprong te ver. Te ambitieus en optimistisch als het gaat om technische haalbaarheid en de markt was er niet klaar voor. Daarnaast heeft ie zakelijk z’n imperium nooit ècht rendabel kunnen maken (in 1986 werden al zijn computer activiteiten overgedaan aan Amstrad voor een lousy 5 miljoen pond). En dan gaan we het niet hebben over hoe hij omging met zijn merkportfolio en reputatiemanagement – een product naar jezelf noemen is zelden een goed idee.
Maar toch: 26 jaar na dato blijkt ie er niet ver naast te hebben gezeten en heeft ie het cynisme uit 1984 de mond gesnoerd. Elektrische rijden is hotter dan ooit en die personal computer voor iedereen is een feit. Sinclair was met zijn drive, visie en creativiteit eigenlijk een geweldige ontwerper. Hij was met zijn durf, ondernemingsdrang en geloof in eigen producten de gedroomde opdrachtgever. Hij had het wellicht niet moeten willen combineren.

Dit artikel van Jeroen van Erp (mede-oprichter en creatief directeur Fabrique) verscheen in #4 van Vormberichten, het magazine van de BNO.

Layar Next: what’s next in mobile augmented reality

Layar (de augmented reality browser voor iPhone en Android) deed een aantal spannende aankondigingen op haar Layar Next event op 18 juni 2010. Nieuwe features en verbeteringen, een social media model om meer gebruikers te trekken (Floaticons) en een samenwerking met Kooaba om beeldherkenning te integreren.

Layar hield vrijdag mede ter ere van haar eenjarig bestaan het Layar Next event (Twitter #layarnext). Als developer van layers en als lid van het Layar Partner Network ben ik bijzonder benieuwd naar de plannen van Layar.

Wat is Layar?

Layar is een augmented reality (AR) browser voor iPhone en Android. Het is de meest gedownloade en pre-installed-app in zijn soort. De werking is simpel: selecteer een layer, kijk door het scherm van je mobiel om je heen en zie points of interest en 3D objecten die over het camerabeeld gelegd worden. Je omgeving wordt zo een toegevoegde of veranderde werkelijkheid (augmented reality). Dit kan heel praktisch zijn om een winkel of restaurant te vinden of gewoon leuke dingen zoals kunst, gebouwen en mensen om je heen.

Layar is een browser, dus je moet net als in een webbrowser zelf bepalen wat je wilt zien - dat wil zeggen welke layer je wilt laden. Daar zit meteen de bottleneck die Layar aan het oplossen is. Mensen weten niet wat er allemaal is en komen vaak niet verder dan de bovenste zoveel layers van een lijst. Recent voegde Layar zogenaamde streams toe. Een layer die populaire en dichtstbijzijnde elementen uit andere layers laat zien en je zo de mogelijkheid geeft deze te bekijken. Daarmee wordt het vinden van spannende content vergroot. Met meer spannende of relevante content wordt het gebruik vergroot, zullen meer mensen Layar installeren en ontstaat een ecosysteem vergelijkbaar met dat van het web zelf, met dito groeicijfers.

ik op het museumpleinOverigens is augmented reality op je mobiel nog een vreemde en soms gevaarlijke ervaring: kijkend door je mobiel door de stad lopen. Het blijkt overigens ook een interessante sociale bezigheid. Niet iedereen heeft een mobiel met GPS en kompas. Tijdens het experiment “Ik op het museumplein” onderdeel van het Stedelijk Museum Artours project liepen er groepjes mensen over het museumplein die samen naar virtuele kunst keken op een te klein mobiel schermpje. Het wachten is dus op de eerste betaalbare brillen die je aan je mobiel kunt koppelen. Of de eerste autofabrikant die zijn voorruit hiermee uitrust.

Nieuwe features en nostalgie

Tijdens het event werden een aantal features gepresenteerd die mij erg deden denken aan de eerste dagen van het web. Opwinding die er toen was over de animated gif is er nu over bewegende 3D objecten. En de beperkingen zijn ook vergelijkbaar. 3D objecten kunnen straks draaien en bouncen. Voor deze toepassing in technische zin een enorme sprong voorwaarts, maar voor gebruikers natuurlijk niet echt vernieuwend. Net zo min vernieuwend als de animated gif of de introductie van Flash. We hadden toen immers al jaren bewegend beeld op televisie en animaties kende iedereen al. Voor het web zelf, en nu dus voor deze augmented reality browser zijn de 3D-objecten in relatieve zin wel vernieuwend.

Floaticons, de social media trekker

Layar FloaticonsEen belangrijke aankondiging was de introductie van Floaticons. Layar gaat een eigen layer aanbieden waarin gebruikers virtueel een 3D icon kunnen achterlaten in de ruimte en daar tekst bij zetten. In eerste instantie was ik vrij kritisch. Een browser die zijn eigen websites gaat promoten, het lijkt Google wel. Layar is een open systeem en het succes is volledig afhankelijk van de beleving die anderen hiermee creëren. Ga je dan als browser leverancier zelf content maken, waar ligt dan de grens en willen anderen nog wel met je werken?

De floaticons of elke ander idee om gebruikers te genereren zijn echter hard nodig. Het platform wordt pas een succes als er veel gebruik is. Dat succes krijg je niet alleen met veel hard werkende developers die spannende layers maken, daar zullen toepassingen omheen gebouwd moeten worden die deze augmented reality browser voor iedereen interessant maken. Toepassingen die het gebruik stimuleren. Netscape heeft het web immers ook niet volledig zelf gemaakt. Vervolgens wordt deze wereld net zo spannend als het web. Worden augmented reality layers gestandaardiseerd? Komt er een browser oorlog? Is Layar te vroeg en eerder een soort AOL of Netscape? Door de grote aantallen pre installs mogelijk eerder Internet Explorer. En gaat de opvolger van Neelie Smit Kroes mobiele leveranciers dan dwingen tot een vrije augmented reality browser keuze? Maar zover zijn we nog lang niet.

Beeldherkenning met Kooaba

Kooaba Iphone app

Een tweede belangrijke aankondiging was de samenwerking met Kooaba. Dit Zwitserse bedrijf is gespecialiseerd in beeldherkenning en heeft een iPhone app en een Android app die onder andere boeken, films en cd’s herkend. Door beeldherkenning toe te voegen aan Layar ontstaan volledig nieuwe toepassingen. Je kijkt door de camera van je mobiel, het beeld wordt herkend en je krijgt informatie. Waar is de dichtstbijzijnde winkel waar ik dit kan kopen? Hoe zag het gebouw er uit dat hier eerst stond of hoe ziet het er straks uit? Ik ken die persoon toch en zit hij of zijn in mijn online sociale netwerk? Van wie is dat schilderij?

Update deze zomer in app store en market

De nieuwe Layar app met nieuwe features wordt deze zomer gelanceerd. Naast de floaticons zijn er een aantal meer technische en functionele verbeteringen. Deze vergroten de vrijheid van ontwikkelaars van een layer om zo een betere user experience te realiseren. Onnodige tussenschermen (toch nog altijd conversiekiller nummer 1) kunnen worden weggelaten zodat gebruikers die een layer kiezen en met deze layer interacteren, sneller en beter bediend kunnen worden.

Meer over Layar Next

Meer over Layar Next 2010:

UX London 2010: inspiratie voor User Experience designers

UX London 2010. Zo’n 250 UX professionals waren bijeen in een afgeladen Cumberland Hotel om hun laatste inzichten te delen. Het programma was intensief, de sprekers-lineup van hoge kwaliteit. Op de eerste dag was een aantal imposante keynotes geprogrammeerd. De tweede en derde dag waren tot de rand toe gevuld met 16 goedbezochte workshops van een halve dag.

Jesse James Garrett – Design for Engagement

jesse-james-garret

Jesse James Garrett (foto), de zelfverklaarde UX rock star die bekend is geworden met zijn Elements of User Experience Design, introduceert zijn nieuwe ordening van de wereld van de User Experience. Hij tekent een landschap met daarin vier basisgebieden: perceptie, actie, cognitie en emotie, ofwel PACE. Een ervaring bouwt zich vervolgens op langs de kanalen van de vijf zintuigen gehoor, zicht, smaak, tastzin en geur, waaraan hij terecht toevoegt:

  • Beweging / evenwicht. Met als case de game Mirror’s Edge, die een nieuwe weergave van beweging hanteert, met misselijkheidsklachten van verschillende gamers als gevolg.
  • Lichaam. Met als case uiteraard de Wii.
  • Hart. Hier haalt Garret de beroemde citruspers van Stark aan, in de bespreking van Don Norman. Een ontwerp dat het hart steelt, terwijl het in feite onpraktisch is.

Jesse James Garrett heeft voor zover ik kan zien zijn slides niet online gezet. Gelukkig is er een videoregistratie van een grotendeels identieke eerdere presentatie:


Stephen Anderson – The Art & Science of Seductive Interactions

stephen-anderson

Een tweede highlight op dag één is de keynote door Stephen Anderson. Stephen neemt ons mee in een wereld van verleidelijke interacties. Een goede verleidelijke interactie maakt slim gebruik van user goals om business goals te halen. Dat klinkt als een open deur, maar Stephen helpt ons met name de psychologische user goals beter te begrijpen.

Een sleutelcase in dit verhaal is iLike. iLike is een muziekservice die er op een creatieve manier in is geslaagd om tijdens het inschrijfproces veel relevante voorkeursinformatie van gebruikers te verkrijgen. In plaats van het intypen van bandnamen, mogen inschrijvers plaatjes aanklikken van hun favoriete artiesten. Op die manier verzamelt iLike tot 10x zoveel voorkeursdata. De reden dat dit werkt schuilt in de psychologie: visuele indruk, nieuwsgierigheid, en receptieve interactie (zien en begrijpen) in plaats van productieve (herinneren en produceren).

ilike

Stephen haalt een model aan van Joshua Porter, een andere spreker op UX London 2010. Dit model illustreert het waarschijnlijk belangrijkste punt van Stephen: effectiviteit gaat niet alleen over het verbeteren van usability, maar (vooral) ook het aanspreken van de psychologie.

friction-motivation

Effectieve psychologische triggers die Stephen naar voren bracht zijn:

  • Levels & Rewards
  • Onmiddellijke feedback
  • Nieuwsgierigheid
  • Uitdaging
  • Zintuiglijke beleving
  • Sociale invloed
  • Schaarsheid
  • Conversatie
  • Verrassing, nieuwheid, schoonheid, spanning, emotie, plezier, speelsheid, humor, gezichten, muziek, sex, en veel, veel meer.


Stephen sluit af met een opdracht. Heb je een positieve gebruikservaring? “Reverse engineer” deze dan, en besluit voor jezelf waarom hij werkt. Als je veel met deze en andere psychologische triggers wilt gaan werken, dan kan je de bij deze presentatie behorende kaartenset kopen op Get mental notes.
Leah Buley – Good Design Faster

Na de eerste keynote-gevulde dag volgden twee dagen van workshops. Een absolute highlight daarin was de workshop van Leah, waarin ze uiteenzette hoe je je creatieve proces het best kunt ondersteunen met schetsen.

De workshop ontwikkelde zich rond een techniek die Leah “Sketchboarding” noemt. Aan de basis van deze methode staat het delen van ideeën met anderen.

  • Divergeer. Maak niet één schets maar meerdere.
  • Combineer. Meng jouw ideeën met die van anderen.
  • Itereer. Breng jullie ontwerpen samen, en bespreek ze. Niet te aardig zijn in deze fase, opbouwende kritiek maakt het alleen maar beter.

Leah introduceert verder een prettige en effectieve manier van onderling kritiek geven: een “Black hat session”. In zo’n sessie schrijven alle teamleden hun vragen en hun zorgen op, op sticky notes.

Het belang van goede kritiek kan niet onderschat worden. Opbouwende kritiek, op het juiste moment gegeven, kan de kwaliteit van het eindresultaat enorm verbeteren. Als jij nu niet kritisch bent, zijn je opdrachtgever of eindgebruiker het wel!

Karen McGrane – Content Strategy: The Missing Piece of the UX Puzzle
Een observatie die veel UX ontwerpers zullen delen, is dat content veel te vaak het ondergeschoven kindje is in interactieve projecten. Karen pakt dit probleem bij de kop. We kennen allemaal de zinsnede “form follows function” maar op het web is “form follows content” een minstens zo belangrijk uitgangspunt. Content wordt weer King!

Aan de hand van een helder uiteengezet proces van planning, analyse, creatie en management, geeft Karen handvatten om dit niet langer te laten gebeuren.

Karen’s presentatie laat zich (uiteraard) prima lezen:

Jeff Patton – Real-World Agile User Experience Design
jeff-patton

De sessie die ik natuurlijk niet wilde missen was die van Jeff Patton (foto) over de rol van “UX people” in Agile Development. Dit verhaal, dat nogal op de Amerikaanse praktijk gebaseerde verhaal is, bevatte veel scherpe inzichten, tips en technieken.

Jeff brengt een groot aantal interessante proces-quotes, waaronder:

  • Process is a placebo. Quality is not about following the rules. It is about caring for the end result.
  • Companies with documented methodologies tend to be less successful (Jared Spool).
  • Processes are like haircuts. Trying somebody else’s rarely works.
  • The biggest danger of following a process is falling asleep at the process wheel (Jared Spool).
De presentatie, die ik hieronder invoeg, bevat vele highlights. Dit zijn wat mij betreft de belangrijkste:

  • User stories, ook hier weer onderwerp van verhitte discussies, uitgewerkt als boundary objects (slide 57)
  • Pragmatic Persona’s werken bevrijdend. Je hebt in een project niet altijd de luxe om goede Data Driven Persona’s te ontwikkelen, en deze methode is een goed alternatief. Maak een set persona’s in een dag. (slide 35)
  • Story mapping - In een groot project is het lastig om overzicht te houden over alle user stories in de product backlog. Jeff gebruikt hiervoor een techniek die verschillende interacties vastlegt in de tijd, om ze vervolgens uit te werken naar user stories. (Slide 65 e.v.)
Over de basis, de rol van UX ontwerpers in Agile, zijn Jeff en ik het tijdens zijn presentatie nog niet eens. In mijn visie kan UX aan de basis van Agile staan. Jeff zelf suggereert echter een plaats naast het Agile Development team, of aan de zijde van de Product Owner. Toen ik hem echter achteraf aanschoot en mijn visie voorlegde antwoordde hij: “That might work very well”. It does.
jeff-patton_download
Quotes
Natuurlijk is dit nog maar het topje van de ijsberg van UX London 2010. Om toch wat inzichten uit de andere keynotes and workshops te kunnen meenemen, geef ik nog wat quotes die ik in de verschillende sessies heb opgetekend:
  • The interested user needs selling, trial users need teaching, customers need support. (Joshua Porter)
  • I like search because it’s so damned hard to design well (Peter Morville)
  • At Pixar, art is a team sport (Michael Johnson)
  • Google is data driven to the point it’s paralyzing the company (Joshua Porter citeert Doug Bowman in zijn talk over lokale optimalisatie)
  • Everyone has a story. When people talk about what they know and do well, they’re always interesting (Liz Danzico citeert Malcom Gladwell in een workshop over interviewen)

Conclusie
Uit de verschillende keynotes en workshops blijkt: als er één gegeven gemeengoed is geworden in de “UX community”, dan is het wel het besef dat we met usability engineering de oorlog uiteindelijk niet zullen winnen. Psychologisch inzicht en creativiteit worden de sleutels tot succes. UX London gaf dit jaar heel veel psychologisch inzicht.

Wat maakt het, dat UX ontwerpers zo dol zijn op modellen? Waarom is het dat iedereen begint te pennen zodra de wereld voor de zoveelste keer opgedeeld wordt in vier kwadranten? Het moet nieuwsgierigheid zijn, en De Missie om De Gebruiker nog beter te begrijpen en te bedienen.

Het is wel bijzonder om te zien dat met name creativiteitstechnieken nog weinig aan bod kwamen. Het bewijs van creativiteit bleef hierdoor vooral in casebesprekingen steken. Volgend jaar?

Al met al was UX London wat mij betreft een groot succes. De kwaliteit van de sessies was heel hoog, de onderwerpen goed gekozen. De komende tijd ga ik veel ervan meenemen in mijn praktijk als interaction director.

Pieter Jongerius, Fabrique
Dit artikel is vanochtend tevens verschenen op Frankwatching.com

Musea en het web: de laatste ontwikkelingen

Ontwikkelingen op internet gaan razendsnel en musea blijven hier niet bij achter. Social media, iPhones, iPads en augmented reality zijn in de museumwereld niet meer onbekend. Ook beginnen er volwaardige virtuele musea te komen. Naar aanleiding van mijn bezoek aan het congres Museums and the Web in Denver geef ik een overzicht van de laatste ontwikkelingen.

Bezoekers in een MuseumAl ruim 10 jaar wordt door de Noord-Amerikaanse organisatie Archives & Museum Informatics het congres Museums and the Web georganiseerd. Ik werk al geruime tijd met veel plezier voor diverse musea in Nederland en bezocht dit congres in april voor de vijfde keer. Een mooie gelegenheid om de balans op te maken.

In Europa zijn er ook allerlei (niet wetenschappelijke) congressen op dit gebied. Onlangs organiseerde DEN en Erfgoed Nederland het DISH congres. Op Koninginnedag was er in Engeland MuseumNext, georganiseerd door Jim Richardson. Desondanks trekken er ieder jaar ruim 40 Nederlandse museummensen naar Musea and the Web in Noord-Amerika. Wat van ver komt is blijkbaar lekker, of is men daar innovatiever dan hier? Dat laatste betwijfel ik. Een van de usual suspects is immers Sebastiaan Chen van het Powerhouse Museum in Sydney.

Waar blijft het virtuele museum?

Virtual Museum Dresden in Second LifeIn de beginjaren lag de aandacht bij standaardisatie en uitwisseling, zoals Open Archives Initiative en Dublin Core. Wat zou het mooi zijn als alle collecties van alle musea virtueel samengebracht zouden kunnen worden in een virtueel systeem. Zonder Google zou je dan alle schilderijen van Rembrandt of een hele kunststroming kunnen zien of archieven kunnen onderzoeken zonder te hoeven reizen.

In de werkelijkheid lag de aandacht van veel instellingen bij wat men marketing noemt: de promotie van het eigen instituut om zo meer fysieke bezoekers te trekken. Een logische ontwikkeling. Het web was net overgenomen door marketeers en de oorsprong (het uitwisselen van informatie) was wat naar de achtergrond geraakt.

De discussie over standaardisatie bleef vooral een virtuele discussie. Dit kwam niet zozeer door gebrek aan overeenstemming over de standaarden, maar simpelweg door het gebrek aan gedigitaliseerde collecties. Het digitaliseren van museale en archief collecties is een kostbare aangelegenheid. Niet alleen moeten objecten gefotografeerd worden (of eerdere registraties gedigitaliseerd), wat zeer kostbaar kan zijn, er moet vooral veel beschreven worden. Immers, pas met een goede beschrijving worden beelden online toegankelijk. En als er een virtuele (gedigitaliseerde) collectie is dan pas wordt een virtueel museum mogelijk. Let wel: alleen een virtuele collectie maakt nog geen virtueel museum. Daarvoor is een virtuele “plaats van inspiratie” nodig (en dan natuurlijk niet in Second Life). In de nabije toekomst zullen ontwikkelingen op het gebied van beeldherkenning en social media (tagging zoals bij Waisda) hier een belangrijke bijdrage gaan leveren.

Op het congres gaat een deel van de aandacht overigens uit naar zeer praktische zaken, waarbij een online museum nog ver weg lijkt. Welk contentmanagementsysteem moet je gebruiken? Op welk platform moet je bouwen en is dat dan wel toegankelijk voor Google en andere bezoekers met beperkingen? Dit komt deels door de zeer gemengde populatie van het congres, variërend van wetenschappers tot webmasters.

Samenwerking en collecties zonder muren

Steve MuseumIn de meer recentere jaren is er een aantal initiatieven ontstaan die de fysieke instellingen overstijgen. Zo was er het project Pachyderm dat software ontwikkelde waarmee instellingen eenvoudig online presentaties en collecties konden delen. Een succesvoller project is Steve: een social tagging systeem dat over collecties heen instellingen voorziet van een tagging module. Door deze centraal op te slaan ontstaan nieuwe verbindingen tussen collecties.

Een mooi samenwerkingsproject dat in 2009 gelanceerd werd en dit jaar een award won is ArtBabble. Dit initiatief van het Indianapolis Museum of Art (IMA) brengt video’s samen van verschillende instellingen. Het Nederlandse Van Gogh Museum en Museum Boijmans van Beuningen doen hieraan mee. IMA is een goed voorbeeld van een zeer actief museum, dat zich onderscheid door veel (technische) ontwikkeling in huis uit te voeren met een redelijk omvangrijke staf. Het management maakt daar blijkbaar andere keuzes, betrokken medewerkers hebben mogelijk meer vrijheid of financiering is anders geregeld. Naast ArtBabble lanceerde IMA dit jaar TAP en platform om mobiele tours te maken.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=Yb3xnhC0MKk[/youtube]

In Europa zijn er gelukkig ook samenwerkingsverbanden en platforms die de instellingen overstijgen. Voorbeelden hiervan zijn Europeana en het al langer levende Geheugen van Nederland.

Social media (geen web 2.0 meer)

Met de komst van web 2.0, dat nu gelukkig social media genoemd wordt, verschoof de aandacht in die richting. Eind maart vorig jaar ben ik naar aanleiding van dit congres begonnen met Twitteren. Bij de plenaire bijeenkomsten in 2009 was een twitterfeed te zien op 1 van de grote schermen en tijdens de opening haalde de hashtag #MW2009 heel even de top 10 twittertrends. Waar instellingen eerst de vraag stelden wat moeten we met Facebook of Flickr, was de vraag wat moeten we met Twitter. Amerikanen hebben het geweldige vermogen om de vraag achter de vraag over te slaan en meteen praktisch te worden en fenomenen als Twitter als gegeven te beschouwen. Dat talent brengt veel instellingen al daar in beweging, terwijl we hier vaak eerst willen nadenken en beleid willen maken. Ik denk dat experimenteren meer brengt dan formaliseren. De FaceBook pagina van Museum of Modern Art kent zo al een enorme schare fans. De mooie opening van Bred Feld een van de mannen achter Zygna’s FarmVille (”It’s so hard to contemplate in advance and so easy when you do it“) maakte duidelijk dat innovatie niet over techniek gaat maar over durf en vertrouwen.

Voorbeeld van actieve instellingen op het gebied van social media zijn de collectie van Powerhouse Museum op Flickr, Walk Art Center en Brooklyn Museum.

De aandacht voor social media was dit jaar vanzelfsprekend nadrukkelijker. De twitterfeed #mw2010 werd dit jaar niet meer geprojecteerd om afleiding te voorkomen. Maar zowel tussen de bezoekers als in de presentaties en workshops waren Twitter en ook FourSquare hip en happening. Zo kreeg het hotel direct een andere FourSquare Mayor.

participatie in een museum?

participatie in een museum?

Op de eerste dag volgde ik de workshop “Designing Platforms for Visitor Participation” door Nina Simon. Zij schreef onlangs het boek “The Participatory Museum” en stelde tijdens ons bezoek aan het Denver Museum of Nature & Science vast dat participatie niet altijd goed uitpakt (de participerende bezoeker op de foto is ondergetekende). De workshop richtte zich op het stellen van vragen aan bezoekers. Met welk soort vraag kan je reacties uitlokken en wanneer durven bezoekers deze reacties ook met elkaar te delen.

De organisatie had een speciale (semi) plenaire bijeenkomst “Social Media, Reconstructing the Elephant” gepland vlak voor de closing ceremonie. Er was een bijzondere vorm gekozen met een donkere zaal en harde muziek en dito aankondigingen van de sprekers. De inhoud viel vervolgens tegen. Vrijwel allemaal fantasieloze semi wetenschappelijke presentaties met veel bullets en weinig wol. Wel een mooi verhaal over de redding van Bletchley Park (waar Alan Turing werkte). De spreker, Sue Black, zet social media in om Blechtley Park te redden en had zelfs haar trip naar het congres via JustGiving laten sponsoren.

In dezelfde sessie kwam in de presentatie van Nancy Proctor ook een filmpje van een van de eerste draadloze rondleidingen langs uit 1952 van Stedelijk Museum, mogelijk de allereerste audio tour.

Mobiel museum?

SFMOMA Rooftop IPhone Tour

Naast social media is mobiel vanzelfsprekend en steeds belangrijker onderwerp. Ook hier veel aandacht voor het hoe en minder het wat of waarom. De WiFi tour van MoMA blijft hier een schoolvoorbeeld. Zorg dat er wifi is in het museum en laat bezoekers niet willekeurig surfen, maar breng ze naar je interactieve multimediale tour op hun eigen mobiel. Een interessant leerervaring die dit jaar naar voren kwam is dat je dan wel oortjes moet verhuren of verkopen (en mobiele telefoons toestaan in het museum).

SFMOMA presenteerde haar “Rooftop Garden iPhone Tour“. Tijdens de beurs waren er diverse bedrijven die een iPad weggaven en “out of the box” oplossingen boden voor mobiele tours en applicaties. Op de vraag bij een van de standhouders hoe de data uit een bestaande collectiedatabase in zo’n tour gebruikt kon worden was het antwoord “Everything is possible”.

Nederlandse bijdragen?

De Nederlandse delegatie heeft overigens niet alleen geluisterd. Er was een presentatie van Beeld en Geluid en KennislandMany heads are better than one“, een presentatie over “Van Gogh’s Letters” door Van Gogh Museum, Het NAI met “Connecting the Collection“.

Nederlandse musea staan ook zeker niet stil noch lopen zij achter. De mate van samenwerking is nog beperkt en mooie initiatieven blijven vaak beperkt tot de eigen website. De projecten en experimenten rond Beelden voor de Toekomst vormen een mooie uitzondering. Ook staan er steeds meer collecties online, zoals de recent gelanceerde collectie van het Amsterdams Historisch Museum en de collectie van Museum Boijmans van Beuningen. En laat ik een deel van ons eigen werk niet vergeten: ArtTube van Museum Boijmans van Beuningen, ArTours van Stedelijk Museum en last but not least de website van het Rijksmuseum.

Best of the Web Awards

Victoria & Albert Search the Collection

Jaarlijks worden er tijdens het congres prijzen uitgereikt in verschillende categorieën. De lijst van nominaties en prijswinnaars door de jaren heen geeft een mooi beeld van de ontwikkelingen. Naast de eerder genoemde ArtBabble waren er dit jaar prijzen voor onder andere MoMA’s Alzheimer project “Meet me” (categorie: Education), “Solar Stormwatch” (categorie: Innovative), het Nederlandse blog “Museum Marketing” (categorie: Museum Professional), “Victoria & Albert Search the Collection” (categorie: Research) en “Museu Picasso Online Community” (categorie: Social Media). Ik hoop dat er volgend jaar een categorie Mobile of Ubiquitous is.

Unconference

Unconference musea en mobiele zaken (foto: Mia)

Een van de belangrijkste ontwikkeling speelt zich geheel buiten de kaders van conferenties af. Een relatief jonge groep museummedewerkers en andere betrokkenen twittert er lustig op los. Die daarbij privé en zakelijk volledig mengen en actief bezig zijn met hun vak en onderzoeken wat internet daarbij kan betekenen. Een rol voor het web als primaire productiemiddel (naast collectie, gebouwen, presentaties en boeken). Een online museum waar je geïnspireerd wordt en kunt leren. Het web als communicatiemiddel (luisteren en praten), dat verder gaat dan een verzameling websites met webpagina’s. En het leuke is dat het daar ooit allemaal voor bedacht is.

De massale communicatie tijdens en na Museums and the Web 2010 werd mogelijk gestimuleerd door het feit dat vrijwel de hele Nederlandse ploeg een week moest nablijven vanwege de aswolk. Dit resulteerde onder andere in een bijzondere lunchsessie mede georganiseerd door Jasper Visser van het Nationaal Historisch Museum over musea, FourSquare en andere mobiele zaken.

Scrummen volgens Fabrique

Check het artikel “Een website ontwerpen met Agile Design en Scrum” op Frankwatching, geschreven door Fabriquer Pieter Jongerius (interaction director en strateeg).

In dit artikel beschrijft Pieter de start, aanpak en visie van/op zogeheten ‘scrum’ projecten bij Fabrique. Het is een eerste artikel in een serie van drie. Binnenkort verschijnt het tweede artikel waarin Pieter dieper ingaat op onze ervaringen met de verschillende elementen van scrum. We houden u op de hoogte!

scrum

Van A/B tot Conversie

“Luister nooit naar de klant!” Met deze gewaagde stelling begon marketeer Paul Postma zijn keynote op Emerce Conversion. Overigens voegde hij er aan toe ‘.. maar kijk naar wat hij doet’.  Dat maakt de stelling gelukkig al weer minder controversieel.

paulpostma

Paul Postma: ‘Luister nooit naar de klant!’

In Pakhuis de Zwijger te Amsterdam vond op 20 april de eerste editie van Emerce Conversion plaats. Specialisten van bureau- en klantzijde deden hier uit de doeken hoe zij conversie bereiken en verbeteren. Online wel te verstaan.
Overigens bleef het iets te vaak bij een tipje van de sluier, in verband met de hoeveelheid concullega’s in de zaal. En zo’n tipje is misschien leuk voor de sales, maar natuurlijk niet zo interessant.

Van meten naar weten
Er wordt vandaag de dag online weinig meer aan het toeval over gelaten. Zelfs het eigen vermogen om verbanden te herkennen en fouten op te sporen wordt steeds verder genegeerd.  Het komt vaak ter sprake: ‘de ideale bestelknop is rood’. ‘Niet waar’ zegt de partij die door A/B testen wijs is geworden: ‘bij ons werkt groen in het weekend beter!’. Een zaal verder wordt gespeculeerd dat ‘oranje’ toch echt beter werkt, want ‘rood’ is de kleur van stoppen. Conversie bereik je zelden met stilstand.

Is de knopkleur dan key in conversieoptimalisatie? Natuurlijk niet. We laten het tijdperk van gissen steeds meer achter ons. Elke site is uniek, elke gebruiker is uniek. Tel daar situationele factoren bij op en je hebt zoveel aspecten dat de ‘golden nut’ maar zelden in een sluitend model is uit te drukken. Laat staan dat we met goed bedoeld gissen alle conversiekillers kunnen opsporen en verhelpen. Of zoals Paul Postma stelt: ‘het brein zoekt en vindt verbanden, ook als die er helemaal niet zijn’.

Winning combinations zien we toch vooral in het continue verbeteringsproces. Een website is nooit af. Niet bij oplevering, zelfs niet na 3 jaar als hij al bijna aan vervanging toe is. Succescases laten zien dat het werken vanuit meetbare doelstellingen niet alleen het team scherp houdt, maar er vooral voor zorgt dat nieuwe of vernieuwde websites actief worden verbeterd om de doelen te bereiken.

Conversie vanaf de A van AIDA
Dat conversie al buiten de eigen website start werd goed duidelijk in de cases van twee bekende airlines. Behavioral targetting zorgt er voor dat prospects op basis van hun surfgedrag maatwerkbanners aangeboden krijgen, op sites van derden. Zo kan een actieve danceliefhebber, in een periode waarin hij af en toe aan het zoeken is naar een leuke zomertrip, op een zeker moment op een nieuwssite een banner krijgen met de tekst ‘Retour Ibiza, 150 euro!’. ‘Geinig’ denkt de argeloze surfer wellicht. Maar na het bekijken van het aanbod en verder surfen kan het zomaar voorkomen dat hij een dag later de banner krijgt: ‘Wat doe je hier nog’ om nog een stap verder geconfronteerd te worden met het ultieme aanbod ‘Retour Ibiza, nu 125 euro!’. De combinatie van behavioral targetting en re-targetting zorgt voor relevantie, maar kan ook een beetje gaan stinken als het om privacygevoeligheden gaat. Juridisch zit het wel goed, maar de consument krijgt niet altijd meer vertrouwen in een bedrijf dat nèt iets te veel informatie heeft.

Terwijl retargetting wordt gezien als de aanjager van het beslisproces, poneert Postma nog de stelling dat het traditionele AIDA model eigenlijk omgekeerd zou moeten zijn. Het zijn niet de verkoopargumenten die uiteindelijk voor een aankoopbehoefte zorgen, nee het is juist de eerste hebberigheid (neurologisch verklaard overigens) die voor een aankoopactie zorgt. De verkoopargumenten worden pas daarna relevant voor de verantwoording aan het thuisfront.

That’s the way the cookie crumbles
Er zal evengoed nog een tijd gediscussieerd worden over de vraag welke stap in het aankoopproces het meest waardevol is. Er is momenteel veel aandacht voor het zogenaamde ‘last cookie counts’ principe. Dat zit in een notendop zo: een bezoeker komt via een bannernetwerk op de site van een aanbieder, maar koopt nog niets. Een dag later komt hij via een zoekmachineadvertentie wederom op de website en doet dan de aankoop. Omdat de gebruiker als laatste via de zoekmachineadvertentie is binnengekomen, krijgt dat kanaal de credits voor deze aanschaf. Is dat eerlijk? Het eerste kanaal heeft immers ook bijgedragen aan de sale. Vaak is het nog complexer, met andere tijdsintervallen en meer kanalen zoals affiliates. Welk kanaal dan recht heeft op welk bedrag, is dan niet meer op basis van de laatste klik te bepalen.

Conversieattributie lijkt het antwoord te gaan worden op deze onduidelijkheid. Bij deze techniek worden bezoekers over langere tijd gevolgd in hun aankoopproces en blijven de verschillende verwijzende kanalen gekoppeld aan de bezoeker. Is de transactie voltooid; dan wordt op basis van een vooraf bepaalde staffel de commissie verdeeld over alle kanalen die aan de sale hebben bijgedragen. Klinkt eerlijk, niet?

Opschieten
Emerce Conversion bracht ons verder nog diverse presentaties over de inzet van webanalytics, mailings en zoekmachineoptimalisatie. Wat betreft het laatste: momenteel is de inlaadsnelheid van websites een hot item sinds Google heeft aangekondigd dit mee te laten wegen in de Pagerank. Opschieten dus!

Sjoerd van der Kooij

Design & Emotion

Emoties
Het maakt niet uit: of we nou hard weglopen voor een keffende hond, het gaspedaal intrappen, in een fles knijpen, op ‘koop nu’ klikken, een koekje uit een trommel grabbelen, een hand vasthouden of alleen maar spijkerbroeken willen dragen: al dit gedrag wordt gestuurd door emoties. Emoties vormen de basis van al ons handelen en worden continu opgewekt door stimuli om ons heen. Voor een deel van die stimuli zijn wij ontwerpers verantwoordelijk. Het is goed te verdedigen dat ontwerpers eigenlijk maar met één ding bezig zijn: het ontwerpen van stimuli die emoties opwekken om zodoende gerichte interactie te creëren of te beïnvloeden. En één stap verder kun je zelfs stellen dat we ‘slechts’ emoties ontwerpen. In de meeste gevallen zijn wij en onze opdrachtgevers hier impliciet en onbewust mee bezig. Ik betwijfel of de shuffle functie van onder andere de iPod ontstaan is uit de vraag: ontwerp de emotie ‘aangenaam verrast’. Toch is dat precies wat het shuffelen uiteindelijk teweeg brengt en waardoor je deze feature waardeert op momenten dat je er voor open staat. Het is overigens goed om je te realiseren dat een ‘verkeerde’ keuze van de random generator onderdeel van de ervaring is. Een aangename verrassing bestaat bij de gratie van de missers, zoals een warm bad een hele andere ervaring biedt nadat je door een plensbui bent. Emoties worden contextueel opgewekt, gerelateerd aan een belang. Voorgaande is boeiende materie waarbij we als ontwerper over het algemeen best een gevoel hebben van wat goed werkt maar eigenlijk nauwelijks begrijpen waarom.

De society
In november 1999 vond de eerste Design & Emotion conferentie plaats. Deze conferentie was georganiseerd door de Faculteit Industrieel Ontwerpen van de TU Delft. Ik was één van de 50 genodigden en tot mijn verbazing kwam ik er achter dat universiteiten en ook grote bedrijven als Philips en Unilever veel onderzoek doen naar emoties en productbeleving met als doel betere producten te ontwerpen. Er ging een wereld aan kennis van modellen, methoden, inzichten en voorbeelden voor me open, waarvan een deel goed aansluit bij de ontwerppraktijk. Ze gaven me bovendien antwoorden op onderwerpen waar ik me al geruime tijd het hoofd over brak. Aan het einde van de conferentie werd ik gevraagd aan te schuiven bij de, wat later bleek, oprichtingsvergadering van de Design & Emotion Society met als gevolg dat ik nu ruim 10 jaar in het bestuur zit.

Het doel van de Design & Emotion Society is om ontwerpers, industrie en onderzoekers bij elkaar te brengen om kennis te delen en een dialoog te faciliteren over belevingsgestuurd ontwerpen. Om dit te bereiken organiseert de society workshops en conferenties en is ze incidenteel betrokken bij projecten op het gebied van kennisontwikkeling. De roots van de Society liggen in het productontwerp en design research maar inmiddels heeft het netwerk zich uitgebreid naar onder andere interactieontwerp, service design, branding en interieurontwerp.  Wat niet zo gek is gezien het feit dat niet het te ontwerpen artefact centraal staat maar het doel, namelijk de emotie of de beleving.

wii_sport11

De Nintendo Wii biedt een rijke multi-sensorische ervaring en nodigt uit tot fysieke en sociale interactie. De beleving staat centraal.

Kennis
Een eenvoudig ‘alles weten: lees dit’ over emotion of experience driven design is lastig te geven. Daar is het vakgebied te uitgebreid voor en bovendien sterk in ontwikkeling. Het leeslijstje onder dit artikel geeft een eerste indruk. Daarnaast  is het interessant om de blog van Marco van Hout te volgen. Maar nog mooier is het om in oktober af te reizen naar Chicago. Na Delft, Potsdam, Lougborough, Ankara, Gothenburg en Hong Kong is het dit jaar de beurt aan het IIT, The Institute of Design om als gastheer van het evenement op te treden. Van 4 tot en met 7 oktober zal daar, in the windy city, de 7e conferentie plaatsvinden. Keynote speakers worden binnenkort bekend gemaakt. De afgelopen jaren waren dat onder andere Donald Norman, Raman Hui (co-director van Shrek), Monika Mulder (Ikea) en Jan Chipchase (Nokia). Wordt vervolgd!

Jeroen van Erp

Aanbevolen literatuur

1 Emotional Design - Donald Norman
Norman (ex-Apple en co-founder van de Nielsen Norman Group) wordt algemeen beschouwd als een goeroe op het gebied van design en emoties. Zijn Emotional Design kun je gerust een hit noemen, een mooie kennismaking.

2 Designing Pleasurable Products (an introduction to the new human factors) - Pat Jordan
Dit is een vaak aangehaald boek waarin onder ander een belangrijk rol is weggelegd voor de ‘four pleasures’: fysiologisch (zintuiglijk), psychologisch (emoties en gedachten), sociologisch (relaties) en ideologisch (waarden). Jordan geeft ook handvatten voor de ontwerppraktijk.

3 Designing Emotions - Pieter Desmet
In Designing Emotions wordt theorie, ontwerp en toetsing mooi aan elkaar verbonden. Het boek is ook bekend vanwege PrEmo, een instrument om emoties te meten.

4 Enriching – Pieter Desmet/Jeroen van Erp/Catharine Hu/Lara van der Veen
Enriching is de weerslag van een workshop met Nederlandse en Chinese ontwerpers met als doel: ‘enriching the airport experience by designing interventions with an intended emotional effect’. Enriching laat het theoretisch kader zien, de structuur van de workshop alsmede de ontworpen concepten.

5 Flow - Mihaly Cszintstensmihalyi
Als je geïnteresseerd bent in theoretische inzichten over emoties dan staat er een hele boekenkast voor je klaar. Relevant in meerdere opzichten is Mihaly Cszintstenmihalyi’s Flow over de ervaring van geluk.

Door: Jeroen van Erp (partner en creatief directeur, Fabrique)

Creativiteit en internet: vriend of vijand?

Wij verkopen onder andere creativiteit, zeg ik wel eens. Maar wat is ‘creativiteit’? Creativiteit betekent ’scheppend vermogen’. Iets nieuws maken uit iets dat er nog niet als zodanig is. Dat raakt ook aan het begrip originaliteit, ofwel ‘oorspronkelijkheid’: de vraag of iets al eens eerder gedaan is. Wat dat betreft is de wereld veranderd.

beperking-brengt-creativiteit1

Ontmaskerd

In de tijd zonder telefoon, televisie, radio, krant en vliegtuigen en met hooguit een kerkplein wist je niet of iets al eerder was bedacht. En wat je niet kende bestond niet, wat beslist prettige kanten had. Met het toenemende en evoluerende gebruik van internet in de hele wereld verandert dat in rap tempo. We zien op YouTube commercials uit andere landen, we lezen buitenlandse sites, we spotten buitenlandse trends. Kortom: we weten steeds beter of iets al een keer bedacht is. Wat het ene moment een uiting van ultieme creativiteit lijkt, wordt het volgende moment ontmaskerd als een onbewuste kopie van een Guatemalees concept van twee jaar terug. Creatief en origineel zijn volgens de definitie wordt in dat opzicht steeds lastiger.

Er is ook een andere kant. Want ‘beter goed gejat dan slecht bedacht’ viert hoogtij deze dagen. Een websiteconcept of een idee voor een campagne: ze kunnen hun basis nu veel makkelijker vinden in iets bestaands. Waardoor er tijd over is om het juist beter te maken. Waardoor de kinderziektes van dat concept eruit zijn. Overzicht als katalysator voor optimalisatie. Deze vuist op deze vuist.

In dit proces speelt speelt lateraal denken een steeds grotere rol: bestaande ideeën een nieuw leven geven binnen een andere context. Je zou bijvoorbeeld ‘een soort Zoover voor auto’s, maar dan gecombineerd met Twitter-achtige messaging en een Facebook-achtige profielstructuur’ kunnen ontwikkelen. Ook klanten van ons spreken inmiddels deze taal. En het referentiemateriaal is maar drie clicks bij ons allen vandaan.

Brononderzoeker

Er is in dat proces een rol weggelegd voor ‘de brononderzoeker’, een rol uit het teamrollenmodel van Belbin. Zijn leven draait om contacten en kennis bij elkaar brengen, goede ideeën herkennen, ze ontleden, ze kunnen vertalen naar nieuwe componenten en ze kunnen inzetten op het juiste moment. Hij wordt met al zijn energie, flair en aansprekende ideeën vaak als creatief ervaren, maar is dat strikt genomen dus niet.

Zijn tegenpool zou zich juist opsluiten in een grot zonder enige communicatiemiddelen. Dan weet hij immers zeker dat hij niet onbewust iets kopieert wat al bestaat, dat hij oorspronkelijk is. Maar hij loopt dan weer de kans dat om – zodra hij moe maar voldaan tevoorschijn stapt – per ongeluk toch iets ontworpen te hebben wat iedereen al kent. En dat in het ergste geval weliswaar niet is gejat, maar wel minder goed bedacht. Verspilde energie.

Over een poosje kunnen we ALLES vinden, als het aan Google ligt. Is er dan nog toekomst voor creativiteit? Zeker. Creativiteit zal geconcentreerder worden ingezet op het creëren van het verschil. De verbeteringen aan het wiel, in plaats van het wiel zelf nog eens opnieuw uit te vinden. Maar er zijn gelukkig ook nog dingen niet uitgevonden. Althans,  daar lijkt het nog steeds op….

Geplaatst op frankwatching.com - vrijdag 22 januari 2010. Dit is de oorspronkelijke versie van een artikel dat in het boekje “Internet voor Iedereen” van XS4ALL is verschenen in december 2009.

Gert Hans Berghuis is partner van Fabrique Communicatie en Design in Delft en Amsterdam.