Musea en het web: de laatste ontwikkelingen

Ontwikkelingen op internet gaan razendsnel en musea blijven hier niet bij achter. Social media, iPhones, iPads en augmented reality zijn in de museumwereld niet meer onbekend. Ook beginnen er volwaardige virtuele musea te komen. Naar aanleiding van mijn bezoek aan het congres Museums and the Web in Denver geef ik een overzicht van de laatste ontwikkelingen.

Bezoekers in een MuseumAl ruim 10 jaar wordt door de Noord-Amerikaanse organisatie Archives & Museum Informatics het congres Museums and the Web georganiseerd. Ik werk al geruime tijd met veel plezier voor diverse musea in Nederland en bezocht dit congres in april voor de vijfde keer. Een mooie gelegenheid om de balans op te maken.

In Europa zijn er ook allerlei (niet wetenschappelijke) congressen op dit gebied. Onlangs organiseerde DEN en Erfgoed Nederland het DISH congres. Op Koninginnedag was er in Engeland MuseumNext, georganiseerd door Jim Richardson. Desondanks trekken er ieder jaar ruim 40 Nederlandse museummensen naar Musea and the Web in Noord-Amerika. Wat van ver komt is blijkbaar lekker, of is men daar innovatiever dan hier? Dat laatste betwijfel ik. Een van de usual suspects is immers Sebastiaan Chen van het Powerhouse Museum in Sydney.

Waar blijft het virtuele museum?

Virtual Museum Dresden in Second LifeIn de beginjaren lag de aandacht bij standaardisatie en uitwisseling, zoals Open Archives Initiative en Dublin Core. Wat zou het mooi zijn als alle collecties van alle musea virtueel samengebracht zouden kunnen worden in een virtueel systeem. Zonder Google zou je dan alle schilderijen van Rembrandt of een hele kunststroming kunnen zien of archieven kunnen onderzoeken zonder te hoeven reizen.

In de werkelijkheid lag de aandacht van veel instellingen bij wat men marketing noemt: de promotie van het eigen instituut om zo meer fysieke bezoekers te trekken. Een logische ontwikkeling. Het web was net overgenomen door marketeers en de oorsprong (het uitwisselen van informatie) was wat naar de achtergrond geraakt.

De discussie over standaardisatie bleef vooral een virtuele discussie. Dit kwam niet zozeer door gebrek aan overeenstemming over de standaarden, maar simpelweg door het gebrek aan gedigitaliseerde collecties. Het digitaliseren van museale en archief collecties is een kostbare aangelegenheid. Niet alleen moeten objecten gefotografeerd worden (of eerdere registraties gedigitaliseerd), wat zeer kostbaar kan zijn, er moet vooral veel beschreven worden. Immers, pas met een goede beschrijving worden beelden online toegankelijk. En als er een virtuele (gedigitaliseerde) collectie is dan pas wordt een virtueel museum mogelijk. Let wel: alleen een virtuele collectie maakt nog geen virtueel museum. Daarvoor is een virtuele “plaats van inspiratie” nodig (en dan natuurlijk niet in Second Life). In de nabije toekomst zullen ontwikkelingen op het gebied van beeldherkenning en social media (tagging zoals bij Waisda) hier een belangrijke bijdrage gaan leveren.

Op het congres gaat een deel van de aandacht overigens uit naar zeer praktische zaken, waarbij een online museum nog ver weg lijkt. Welk contentmanagementsysteem moet je gebruiken? Op welk platform moet je bouwen en is dat dan wel toegankelijk voor Google en andere bezoekers met beperkingen? Dit komt deels door de zeer gemengde populatie van het congres, variërend van wetenschappers tot webmasters.

Samenwerking en collecties zonder muren

Steve MuseumIn de meer recentere jaren is er een aantal initiatieven ontstaan die de fysieke instellingen overstijgen. Zo was er het project Pachyderm dat software ontwikkelde waarmee instellingen eenvoudig online presentaties en collecties konden delen. Een succesvoller project is Steve: een social tagging systeem dat over collecties heen instellingen voorziet van een tagging module. Door deze centraal op te slaan ontstaan nieuwe verbindingen tussen collecties.

Een mooi samenwerkingsproject dat in 2009 gelanceerd werd en dit jaar een award won is ArtBabble. Dit initiatief van het Indianapolis Museum of Art (IMA) brengt video’s samen van verschillende instellingen. Het Nederlandse Van Gogh Museum en Museum Boijmans van Beuningen doen hieraan mee. IMA is een goed voorbeeld van een zeer actief museum, dat zich onderscheid door veel (technische) ontwikkeling in huis uit te voeren met een redelijk omvangrijke staf. Het management maakt daar blijkbaar andere keuzes, betrokken medewerkers hebben mogelijk meer vrijheid of financiering is anders geregeld. Naast ArtBabble lanceerde IMA dit jaar TAP en platform om mobiele tours te maken.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=Yb3xnhC0MKk[/youtube]

In Europa zijn er gelukkig ook samenwerkingsverbanden en platforms die de instellingen overstijgen. Voorbeelden hiervan zijn Europeana en het al langer levende Geheugen van Nederland.

Social media (geen web 2.0 meer)

Met de komst van web 2.0, dat nu gelukkig social media genoemd wordt, verschoof de aandacht in die richting. Eind maart vorig jaar ben ik naar aanleiding van dit congres begonnen met Twitteren. Bij de plenaire bijeenkomsten in 2009 was een twitterfeed te zien op 1 van de grote schermen en tijdens de opening haalde de hashtag #MW2009 heel even de top 10 twittertrends. Waar instellingen eerst de vraag stelden wat moeten we met Facebook of Flickr, was de vraag wat moeten we met Twitter. Amerikanen hebben het geweldige vermogen om de vraag achter de vraag over te slaan en meteen praktisch te worden en fenomenen als Twitter als gegeven te beschouwen. Dat talent brengt veel instellingen al daar in beweging, terwijl we hier vaak eerst willen nadenken en beleid willen maken. Ik denk dat experimenteren meer brengt dan formaliseren. De FaceBook pagina van Museum of Modern Art kent zo al een enorme schare fans. De mooie opening van Bred Feld een van de mannen achter Zygna’s FarmVille (”It’s so hard to contemplate in advance and so easy when you do it“) maakte duidelijk dat innovatie niet over techniek gaat maar over durf en vertrouwen.

Voorbeeld van actieve instellingen op het gebied van social media zijn de collectie van Powerhouse Museum op Flickr, Walk Art Center en Brooklyn Museum.

De aandacht voor social media was dit jaar vanzelfsprekend nadrukkelijker. De twitterfeed #mw2010 werd dit jaar niet meer geprojecteerd om afleiding te voorkomen. Maar zowel tussen de bezoekers als in de presentaties en workshops waren Twitter en ook FourSquare hip en happening. Zo kreeg het hotel direct een andere FourSquare Mayor.

participatie in een museum?

participatie in een museum?

Op de eerste dag volgde ik de workshop “Designing Platforms for Visitor Participation” door Nina Simon. Zij schreef onlangs het boek “The Participatory Museum” en stelde tijdens ons bezoek aan het Denver Museum of Nature & Science vast dat participatie niet altijd goed uitpakt (de participerende bezoeker op de foto is ondergetekende). De workshop richtte zich op het stellen van vragen aan bezoekers. Met welk soort vraag kan je reacties uitlokken en wanneer durven bezoekers deze reacties ook met elkaar te delen.

De organisatie had een speciale (semi) plenaire bijeenkomst “Social Media, Reconstructing the Elephant” gepland vlak voor de closing ceremonie. Er was een bijzondere vorm gekozen met een donkere zaal en harde muziek en dito aankondigingen van de sprekers. De inhoud viel vervolgens tegen. Vrijwel allemaal fantasieloze semi wetenschappelijke presentaties met veel bullets en weinig wol. Wel een mooi verhaal over de redding van Bletchley Park (waar Alan Turing werkte). De spreker, Sue Black, zet social media in om Blechtley Park te redden en had zelfs haar trip naar het congres via JustGiving laten sponsoren.

In dezelfde sessie kwam in de presentatie van Nancy Proctor ook een filmpje van een van de eerste draadloze rondleidingen langs uit 1952 van Stedelijk Museum, mogelijk de allereerste audio tour.

Mobiel museum?

SFMOMA Rooftop IPhone Tour

Naast social media is mobiel vanzelfsprekend en steeds belangrijker onderwerp. Ook hier veel aandacht voor het hoe en minder het wat of waarom. De WiFi tour van MoMA blijft hier een schoolvoorbeeld. Zorg dat er wifi is in het museum en laat bezoekers niet willekeurig surfen, maar breng ze naar je interactieve multimediale tour op hun eigen mobiel. Een interessant leerervaring die dit jaar naar voren kwam is dat je dan wel oortjes moet verhuren of verkopen (en mobiele telefoons toestaan in het museum).

SFMOMA presenteerde haar “Rooftop Garden iPhone Tour“. Tijdens de beurs waren er diverse bedrijven die een iPad weggaven en “out of the box” oplossingen boden voor mobiele tours en applicaties. Op de vraag bij een van de standhouders hoe de data uit een bestaande collectiedatabase in zo’n tour gebruikt kon worden was het antwoord “Everything is possible”.

Nederlandse bijdragen?

De Nederlandse delegatie heeft overigens niet alleen geluisterd. Er was een presentatie van Beeld en Geluid en KennislandMany heads are better than one“, een presentatie over “Van Gogh’s Letters” door Van Gogh Museum, Het NAI met “Connecting the Collection“.

Nederlandse musea staan ook zeker niet stil noch lopen zij achter. De mate van samenwerking is nog beperkt en mooie initiatieven blijven vaak beperkt tot de eigen website. De projecten en experimenten rond Beelden voor de Toekomst vormen een mooie uitzondering. Ook staan er steeds meer collecties online, zoals de recent gelanceerde collectie van het Amsterdams Historisch Museum en de collectie van Museum Boijmans van Beuningen. En laat ik een deel van ons eigen werk niet vergeten: ArtTube van Museum Boijmans van Beuningen, ArTours van Stedelijk Museum en last but not least de website van het Rijksmuseum.

Best of the Web Awards

Victoria & Albert Search the Collection

Jaarlijks worden er tijdens het congres prijzen uitgereikt in verschillende categorieën. De lijst van nominaties en prijswinnaars door de jaren heen geeft een mooi beeld van de ontwikkelingen. Naast de eerder genoemde ArtBabble waren er dit jaar prijzen voor onder andere MoMA’s Alzheimer project “Meet me” (categorie: Education), “Solar Stormwatch” (categorie: Innovative), het Nederlandse blog “Museum Marketing” (categorie: Museum Professional), “Victoria & Albert Search the Collection” (categorie: Research) en “Museu Picasso Online Community” (categorie: Social Media). Ik hoop dat er volgend jaar een categorie Mobile of Ubiquitous is.

Unconference

Unconference musea en mobiele zaken (foto: Mia)

Een van de belangrijkste ontwikkeling speelt zich geheel buiten de kaders van conferenties af. Een relatief jonge groep museummedewerkers en andere betrokkenen twittert er lustig op los. Die daarbij privé en zakelijk volledig mengen en actief bezig zijn met hun vak en onderzoeken wat internet daarbij kan betekenen. Een rol voor het web als primaire productiemiddel (naast collectie, gebouwen, presentaties en boeken). Een online museum waar je geïnspireerd wordt en kunt leren. Het web als communicatiemiddel (luisteren en praten), dat verder gaat dan een verzameling websites met webpagina’s. En het leuke is dat het daar ooit allemaal voor bedacht is.

De massale communicatie tijdens en na Museums and the Web 2010 werd mogelijk gestimuleerd door het feit dat vrijwel de hele Nederlandse ploeg een week moest nablijven vanwege de aswolk. Dit resulteerde onder andere in een bijzondere lunchsessie mede georganiseerd door Jasper Visser van het Nationaal Historisch Museum over musea, FourSquare en andere mobiele zaken.

Creativiteit en internet: vriend of vijand?

Wij verkopen onder andere creativiteit, zeg ik wel eens. Maar wat is ‘creativiteit’? Creativiteit betekent ’scheppend vermogen’. Iets nieuws maken uit iets dat er nog niet als zodanig is. Dat raakt ook aan het begrip originaliteit, ofwel ‘oorspronkelijkheid’: de vraag of iets al eens eerder gedaan is. Wat dat betreft is de wereld veranderd.

beperking-brengt-creativiteit1

Ontmaskerd

In de tijd zonder telefoon, televisie, radio, krant en vliegtuigen en met hooguit een kerkplein wist je niet of iets al eerder was bedacht. En wat je niet kende bestond niet, wat beslist prettige kanten had. Met het toenemende en evoluerende gebruik van internet in de hele wereld verandert dat in rap tempo. We zien op YouTube commercials uit andere landen, we lezen buitenlandse sites, we spotten buitenlandse trends. Kortom: we weten steeds beter of iets al een keer bedacht is. Wat het ene moment een uiting van ultieme creativiteit lijkt, wordt het volgende moment ontmaskerd als een onbewuste kopie van een Guatemalees concept van twee jaar terug. Creatief en origineel zijn volgens de definitie wordt in dat opzicht steeds lastiger.

Er is ook een andere kant. Want ‘beter goed gejat dan slecht bedacht’ viert hoogtij deze dagen. Een websiteconcept of een idee voor een campagne: ze kunnen hun basis nu veel makkelijker vinden in iets bestaands. Waardoor er tijd over is om het juist beter te maken. Waardoor de kinderziektes van dat concept eruit zijn. Overzicht als katalysator voor optimalisatie. Deze vuist op deze vuist.

In dit proces speelt speelt lateraal denken een steeds grotere rol: bestaande ideeën een nieuw leven geven binnen een andere context. Je zou bijvoorbeeld ‘een soort Zoover voor auto’s, maar dan gecombineerd met Twitter-achtige messaging en een Facebook-achtige profielstructuur’ kunnen ontwikkelen. Ook klanten van ons spreken inmiddels deze taal. En het referentiemateriaal is maar drie clicks bij ons allen vandaan.

Brononderzoeker

Er is in dat proces een rol weggelegd voor ‘de brononderzoeker’, een rol uit het teamrollenmodel van Belbin. Zijn leven draait om contacten en kennis bij elkaar brengen, goede ideeën herkennen, ze ontleden, ze kunnen vertalen naar nieuwe componenten en ze kunnen inzetten op het juiste moment. Hij wordt met al zijn energie, flair en aansprekende ideeën vaak als creatief ervaren, maar is dat strikt genomen dus niet.

Zijn tegenpool zou zich juist opsluiten in een grot zonder enige communicatiemiddelen. Dan weet hij immers zeker dat hij niet onbewust iets kopieert wat al bestaat, dat hij oorspronkelijk is. Maar hij loopt dan weer de kans dat om – zodra hij moe maar voldaan tevoorschijn stapt – per ongeluk toch iets ontworpen te hebben wat iedereen al kent. En dat in het ergste geval weliswaar niet is gejat, maar wel minder goed bedacht. Verspilde energie.

Over een poosje kunnen we ALLES vinden, als het aan Google ligt. Is er dan nog toekomst voor creativiteit? Zeker. Creativiteit zal geconcentreerder worden ingezet op het creëren van het verschil. De verbeteringen aan het wiel, in plaats van het wiel zelf nog eens opnieuw uit te vinden. Maar er zijn gelukkig ook nog dingen niet uitgevonden. Althans,  daar lijkt het nog steeds op….

Geplaatst op frankwatching.com - vrijdag 22 januari 2010. Dit is de oorspronkelijke versie van een artikel dat in het boekje “Internet voor Iedereen” van XS4ALL is verschenen in december 2009.

Gert Hans Berghuis is partner van Fabrique Communicatie en Design in Delft en Amsterdam.