Layar Next: what’s next in mobile augmented reality

Layar (de augmented reality browser voor iPhone en Android) deed een aantal spannende aankondigingen op haar Layar Next event op 18 juni 2010. Nieuwe features en verbeteringen, een social media model om meer gebruikers te trekken (Floaticons) en een samenwerking met Kooaba om beeldherkenning te integreren.

Layar hield vrijdag mede ter ere van haar eenjarig bestaan het Layar Next event (Twitter #layarnext). Als developer van layers en als lid van het Layar Partner Network ben ik bijzonder benieuwd naar de plannen van Layar.

Wat is Layar?

Layar is een augmented reality (AR) browser voor iPhone en Android. Het is de meest gedownloade en pre-installed-app in zijn soort. De werking is simpel: selecteer een layer, kijk door het scherm van je mobiel om je heen en zie points of interest en 3D objecten die over het camerabeeld gelegd worden. Je omgeving wordt zo een toegevoegde of veranderde werkelijkheid (augmented reality). Dit kan heel praktisch zijn om een winkel of restaurant te vinden of gewoon leuke dingen zoals kunst, gebouwen en mensen om je heen.

Layar is een browser, dus je moet net als in een webbrowser zelf bepalen wat je wilt zien - dat wil zeggen welke layer je wilt laden. Daar zit meteen de bottleneck die Layar aan het oplossen is. Mensen weten niet wat er allemaal is en komen vaak niet verder dan de bovenste zoveel layers van een lijst. Recent voegde Layar zogenaamde streams toe. Een layer die populaire en dichtstbijzijnde elementen uit andere layers laat zien en je zo de mogelijkheid geeft deze te bekijken. Daarmee wordt het vinden van spannende content vergroot. Met meer spannende of relevante content wordt het gebruik vergroot, zullen meer mensen Layar installeren en ontstaat een ecosysteem vergelijkbaar met dat van het web zelf, met dito groeicijfers.

ik op het museumpleinOverigens is augmented reality op je mobiel nog een vreemde en soms gevaarlijke ervaring: kijkend door je mobiel door de stad lopen. Het blijkt overigens ook een interessante sociale bezigheid. Niet iedereen heeft een mobiel met GPS en kompas. Tijdens het experiment “Ik op het museumplein” onderdeel van het Stedelijk Museum Artours project liepen er groepjes mensen over het museumplein die samen naar virtuele kunst keken op een te klein mobiel schermpje. Het wachten is dus op de eerste betaalbare brillen die je aan je mobiel kunt koppelen. Of de eerste autofabrikant die zijn voorruit hiermee uitrust.

Nieuwe features en nostalgie

Tijdens het event werden een aantal features gepresenteerd die mij erg deden denken aan de eerste dagen van het web. Opwinding die er toen was over de animated gif is er nu over bewegende 3D objecten. En de beperkingen zijn ook vergelijkbaar. 3D objecten kunnen straks draaien en bouncen. Voor deze toepassing in technische zin een enorme sprong voorwaarts, maar voor gebruikers natuurlijk niet echt vernieuwend. Net zo min vernieuwend als de animated gif of de introductie van Flash. We hadden toen immers al jaren bewegend beeld op televisie en animaties kende iedereen al. Voor het web zelf, en nu dus voor deze augmented reality browser zijn de 3D-objecten in relatieve zin wel vernieuwend.

Floaticons, de social media trekker

Layar FloaticonsEen belangrijke aankondiging was de introductie van Floaticons. Layar gaat een eigen layer aanbieden waarin gebruikers virtueel een 3D icon kunnen achterlaten in de ruimte en daar tekst bij zetten. In eerste instantie was ik vrij kritisch. Een browser die zijn eigen websites gaat promoten, het lijkt Google wel. Layar is een open systeem en het succes is volledig afhankelijk van de beleving die anderen hiermee creëren. Ga je dan als browser leverancier zelf content maken, waar ligt dan de grens en willen anderen nog wel met je werken?

De floaticons of elke ander idee om gebruikers te genereren zijn echter hard nodig. Het platform wordt pas een succes als er veel gebruik is. Dat succes krijg je niet alleen met veel hard werkende developers die spannende layers maken, daar zullen toepassingen omheen gebouwd moeten worden die deze augmented reality browser voor iedereen interessant maken. Toepassingen die het gebruik stimuleren. Netscape heeft het web immers ook niet volledig zelf gemaakt. Vervolgens wordt deze wereld net zo spannend als het web. Worden augmented reality layers gestandaardiseerd? Komt er een browser oorlog? Is Layar te vroeg en eerder een soort AOL of Netscape? Door de grote aantallen pre installs mogelijk eerder Internet Explorer. En gaat de opvolger van Neelie Smit Kroes mobiele leveranciers dan dwingen tot een vrije augmented reality browser keuze? Maar zover zijn we nog lang niet.

Beeldherkenning met Kooaba

Kooaba Iphone app

Een tweede belangrijke aankondiging was de samenwerking met Kooaba. Dit Zwitserse bedrijf is gespecialiseerd in beeldherkenning en heeft een iPhone app en een Android app die onder andere boeken, films en cd’s herkend. Door beeldherkenning toe te voegen aan Layar ontstaan volledig nieuwe toepassingen. Je kijkt door de camera van je mobiel, het beeld wordt herkend en je krijgt informatie. Waar is de dichtstbijzijnde winkel waar ik dit kan kopen? Hoe zag het gebouw er uit dat hier eerst stond of hoe ziet het er straks uit? Ik ken die persoon toch en zit hij of zijn in mijn online sociale netwerk? Van wie is dat schilderij?

Update deze zomer in app store en market

De nieuwe Layar app met nieuwe features wordt deze zomer gelanceerd. Naast de floaticons zijn er een aantal meer technische en functionele verbeteringen. Deze vergroten de vrijheid van ontwikkelaars van een layer om zo een betere user experience te realiseren. Onnodige tussenschermen (toch nog altijd conversiekiller nummer 1) kunnen worden weggelaten zodat gebruikers die een layer kiezen en met deze layer interacteren, sneller en beter bediend kunnen worden.

Meer over Layar Next

Meer over Layar Next 2010:

Musea en het web: de laatste ontwikkelingen

Ontwikkelingen op internet gaan razendsnel en musea blijven hier niet bij achter. Social media, iPhones, iPads en augmented reality zijn in de museumwereld niet meer onbekend. Ook beginnen er volwaardige virtuele musea te komen. Naar aanleiding van mijn bezoek aan het congres Museums and the Web in Denver geef ik een overzicht van de laatste ontwikkelingen.

Bezoekers in een MuseumAl ruim 10 jaar wordt door de Noord-Amerikaanse organisatie Archives & Museum Informatics het congres Museums and the Web georganiseerd. Ik werk al geruime tijd met veel plezier voor diverse musea in Nederland en bezocht dit congres in april voor de vijfde keer. Een mooie gelegenheid om de balans op te maken.

In Europa zijn er ook allerlei (niet wetenschappelijke) congressen op dit gebied. Onlangs organiseerde DEN en Erfgoed Nederland het DISH congres. Op Koninginnedag was er in Engeland MuseumNext, georganiseerd door Jim Richardson. Desondanks trekken er ieder jaar ruim 40 Nederlandse museummensen naar Musea and the Web in Noord-Amerika. Wat van ver komt is blijkbaar lekker, of is men daar innovatiever dan hier? Dat laatste betwijfel ik. Een van de usual suspects is immers Sebastiaan Chen van het Powerhouse Museum in Sydney.

Waar blijft het virtuele museum?

Virtual Museum Dresden in Second LifeIn de beginjaren lag de aandacht bij standaardisatie en uitwisseling, zoals Open Archives Initiative en Dublin Core. Wat zou het mooi zijn als alle collecties van alle musea virtueel samengebracht zouden kunnen worden in een virtueel systeem. Zonder Google zou je dan alle schilderijen van Rembrandt of een hele kunststroming kunnen zien of archieven kunnen onderzoeken zonder te hoeven reizen.

In de werkelijkheid lag de aandacht van veel instellingen bij wat men marketing noemt: de promotie van het eigen instituut om zo meer fysieke bezoekers te trekken. Een logische ontwikkeling. Het web was net overgenomen door marketeers en de oorsprong (het uitwisselen van informatie) was wat naar de achtergrond geraakt.

De discussie over standaardisatie bleef vooral een virtuele discussie. Dit kwam niet zozeer door gebrek aan overeenstemming over de standaarden, maar simpelweg door het gebrek aan gedigitaliseerde collecties. Het digitaliseren van museale en archief collecties is een kostbare aangelegenheid. Niet alleen moeten objecten gefotografeerd worden (of eerdere registraties gedigitaliseerd), wat zeer kostbaar kan zijn, er moet vooral veel beschreven worden. Immers, pas met een goede beschrijving worden beelden online toegankelijk. En als er een virtuele (gedigitaliseerde) collectie is dan pas wordt een virtueel museum mogelijk. Let wel: alleen een virtuele collectie maakt nog geen virtueel museum. Daarvoor is een virtuele “plaats van inspiratie” nodig (en dan natuurlijk niet in Second Life). In de nabije toekomst zullen ontwikkelingen op het gebied van beeldherkenning en social media (tagging zoals bij Waisda) hier een belangrijke bijdrage gaan leveren.

Op het congres gaat een deel van de aandacht overigens uit naar zeer praktische zaken, waarbij een online museum nog ver weg lijkt. Welk contentmanagementsysteem moet je gebruiken? Op welk platform moet je bouwen en is dat dan wel toegankelijk voor Google en andere bezoekers met beperkingen? Dit komt deels door de zeer gemengde populatie van het congres, variërend van wetenschappers tot webmasters.

Samenwerking en collecties zonder muren

Steve MuseumIn de meer recentere jaren is er een aantal initiatieven ontstaan die de fysieke instellingen overstijgen. Zo was er het project Pachyderm dat software ontwikkelde waarmee instellingen eenvoudig online presentaties en collecties konden delen. Een succesvoller project is Steve: een social tagging systeem dat over collecties heen instellingen voorziet van een tagging module. Door deze centraal op te slaan ontstaan nieuwe verbindingen tussen collecties.

Een mooi samenwerkingsproject dat in 2009 gelanceerd werd en dit jaar een award won is ArtBabble. Dit initiatief van het Indianapolis Museum of Art (IMA) brengt video’s samen van verschillende instellingen. Het Nederlandse Van Gogh Museum en Museum Boijmans van Beuningen doen hieraan mee. IMA is een goed voorbeeld van een zeer actief museum, dat zich onderscheid door veel (technische) ontwikkeling in huis uit te voeren met een redelijk omvangrijke staf. Het management maakt daar blijkbaar andere keuzes, betrokken medewerkers hebben mogelijk meer vrijheid of financiering is anders geregeld. Naast ArtBabble lanceerde IMA dit jaar TAP en platform om mobiele tours te maken.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=Yb3xnhC0MKk[/youtube]

In Europa zijn er gelukkig ook samenwerkingsverbanden en platforms die de instellingen overstijgen. Voorbeelden hiervan zijn Europeana en het al langer levende Geheugen van Nederland.

Social media (geen web 2.0 meer)

Met de komst van web 2.0, dat nu gelukkig social media genoemd wordt, verschoof de aandacht in die richting. Eind maart vorig jaar ben ik naar aanleiding van dit congres begonnen met Twitteren. Bij de plenaire bijeenkomsten in 2009 was een twitterfeed te zien op 1 van de grote schermen en tijdens de opening haalde de hashtag #MW2009 heel even de top 10 twittertrends. Waar instellingen eerst de vraag stelden wat moeten we met Facebook of Flickr, was de vraag wat moeten we met Twitter. Amerikanen hebben het geweldige vermogen om de vraag achter de vraag over te slaan en meteen praktisch te worden en fenomenen als Twitter als gegeven te beschouwen. Dat talent brengt veel instellingen al daar in beweging, terwijl we hier vaak eerst willen nadenken en beleid willen maken. Ik denk dat experimenteren meer brengt dan formaliseren. De FaceBook pagina van Museum of Modern Art kent zo al een enorme schare fans. De mooie opening van Bred Feld een van de mannen achter Zygna’s FarmVille (”It’s so hard to contemplate in advance and so easy when you do it“) maakte duidelijk dat innovatie niet over techniek gaat maar over durf en vertrouwen.

Voorbeeld van actieve instellingen op het gebied van social media zijn de collectie van Powerhouse Museum op Flickr, Walk Art Center en Brooklyn Museum.

De aandacht voor social media was dit jaar vanzelfsprekend nadrukkelijker. De twitterfeed #mw2010 werd dit jaar niet meer geprojecteerd om afleiding te voorkomen. Maar zowel tussen de bezoekers als in de presentaties en workshops waren Twitter en ook FourSquare hip en happening. Zo kreeg het hotel direct een andere FourSquare Mayor.

participatie in een museum?

participatie in een museum?

Op de eerste dag volgde ik de workshop “Designing Platforms for Visitor Participation” door Nina Simon. Zij schreef onlangs het boek “The Participatory Museum” en stelde tijdens ons bezoek aan het Denver Museum of Nature & Science vast dat participatie niet altijd goed uitpakt (de participerende bezoeker op de foto is ondergetekende). De workshop richtte zich op het stellen van vragen aan bezoekers. Met welk soort vraag kan je reacties uitlokken en wanneer durven bezoekers deze reacties ook met elkaar te delen.

De organisatie had een speciale (semi) plenaire bijeenkomst “Social Media, Reconstructing the Elephant” gepland vlak voor de closing ceremonie. Er was een bijzondere vorm gekozen met een donkere zaal en harde muziek en dito aankondigingen van de sprekers. De inhoud viel vervolgens tegen. Vrijwel allemaal fantasieloze semi wetenschappelijke presentaties met veel bullets en weinig wol. Wel een mooi verhaal over de redding van Bletchley Park (waar Alan Turing werkte). De spreker, Sue Black, zet social media in om Blechtley Park te redden en had zelfs haar trip naar het congres via JustGiving laten sponsoren.

In dezelfde sessie kwam in de presentatie van Nancy Proctor ook een filmpje van een van de eerste draadloze rondleidingen langs uit 1952 van Stedelijk Museum, mogelijk de allereerste audio tour.

Mobiel museum?

SFMOMA Rooftop IPhone Tour

Naast social media is mobiel vanzelfsprekend en steeds belangrijker onderwerp. Ook hier veel aandacht voor het hoe en minder het wat of waarom. De WiFi tour van MoMA blijft hier een schoolvoorbeeld. Zorg dat er wifi is in het museum en laat bezoekers niet willekeurig surfen, maar breng ze naar je interactieve multimediale tour op hun eigen mobiel. Een interessant leerervaring die dit jaar naar voren kwam is dat je dan wel oortjes moet verhuren of verkopen (en mobiele telefoons toestaan in het museum).

SFMOMA presenteerde haar “Rooftop Garden iPhone Tour“. Tijdens de beurs waren er diverse bedrijven die een iPad weggaven en “out of the box” oplossingen boden voor mobiele tours en applicaties. Op de vraag bij een van de standhouders hoe de data uit een bestaande collectiedatabase in zo’n tour gebruikt kon worden was het antwoord “Everything is possible”.

Nederlandse bijdragen?

De Nederlandse delegatie heeft overigens niet alleen geluisterd. Er was een presentatie van Beeld en Geluid en KennislandMany heads are better than one“, een presentatie over “Van Gogh’s Letters” door Van Gogh Museum, Het NAI met “Connecting the Collection“.

Nederlandse musea staan ook zeker niet stil noch lopen zij achter. De mate van samenwerking is nog beperkt en mooie initiatieven blijven vaak beperkt tot de eigen website. De projecten en experimenten rond Beelden voor de Toekomst vormen een mooie uitzondering. Ook staan er steeds meer collecties online, zoals de recent gelanceerde collectie van het Amsterdams Historisch Museum en de collectie van Museum Boijmans van Beuningen. En laat ik een deel van ons eigen werk niet vergeten: ArtTube van Museum Boijmans van Beuningen, ArTours van Stedelijk Museum en last but not least de website van het Rijksmuseum.

Best of the Web Awards

Victoria & Albert Search the Collection

Jaarlijks worden er tijdens het congres prijzen uitgereikt in verschillende categorieën. De lijst van nominaties en prijswinnaars door de jaren heen geeft een mooi beeld van de ontwikkelingen. Naast de eerder genoemde ArtBabble waren er dit jaar prijzen voor onder andere MoMA’s Alzheimer project “Meet me” (categorie: Education), “Solar Stormwatch” (categorie: Innovative), het Nederlandse blog “Museum Marketing” (categorie: Museum Professional), “Victoria & Albert Search the Collection” (categorie: Research) en “Museu Picasso Online Community” (categorie: Social Media). Ik hoop dat er volgend jaar een categorie Mobile of Ubiquitous is.

Unconference

Unconference musea en mobiele zaken (foto: Mia)

Een van de belangrijkste ontwikkeling speelt zich geheel buiten de kaders van conferenties af. Een relatief jonge groep museummedewerkers en andere betrokkenen twittert er lustig op los. Die daarbij privé en zakelijk volledig mengen en actief bezig zijn met hun vak en onderzoeken wat internet daarbij kan betekenen. Een rol voor het web als primaire productiemiddel (naast collectie, gebouwen, presentaties en boeken). Een online museum waar je geïnspireerd wordt en kunt leren. Het web als communicatiemiddel (luisteren en praten), dat verder gaat dan een verzameling websites met webpagina’s. En het leuke is dat het daar ooit allemaal voor bedacht is.

De massale communicatie tijdens en na Museums and the Web 2010 werd mogelijk gestimuleerd door het feit dat vrijwel de hele Nederlandse ploeg een week moest nablijven vanwege de aswolk. Dit resulteerde onder andere in een bijzondere lunchsessie mede georganiseerd door Jasper Visser van het Nationaal Historisch Museum over musea, FourSquare en andere mobiele zaken.

Boijmans lanceert ArtTube

Museum Boijmans Van Beuningen is als eerste museum in Nederland een eigen videokanaal op internet gestart. ArtTube toont actuele en historische video’s over kunst en design. Zo vind je er video’s van kunstenaars, (de opbouw van) tentoonstellingen en de museumcollecties, maar daarnaast ook registraties van lezingen en verslagen van kunstevenementen in binnen- en buitenland.

Op dit moment toont Arttube.nl onder andere portretten van genomineerden van de Rotterdam Designprijs, de lezing van Piplotti Rist en een remix van een film uit 1930 over de bouw van het museum en interviews met VIP gasten.

Fabrique was mede verantwoordelijk voor het concept, de vormgeving en de bouw van deze website. Op dit moment werken we aan nog twee andere websites voor Boijmans. Eén ervan is de site voor ALMA (afbeelding linkt met artefact), waarbij voorwerpen getoond op schilderijen of oude gebruiksvoorwerpen worden gelinkt met een digitaal systeem dat informatie geeft over het object, de manier waarop het werd gebruikt, in welke tijd etc. Uniek in Nederland en zeer interessant voor (kunst)historici.

http://www.arttube.nl

arttube-homepage

Paul de Leeuw start eigen website

Zaterdag 12 september begint het nieuwe programma ‘Lieve Paul’ van Paul de Leeuw bij de VARA op Nederland 1. Paul twittert sinds begin dit jaar er flink op los, maar heeft geen eigen website. Fabrique ontwikkelde in opdracht van E.V.A. Media voor Paul de Leeuw een website die vandaag live ging. De tweets van Paul en andere wetenswaardigheden worden op deze site getoond. Check snel http://www.pauldeleeuw.tv

De site kent een uniek concept: Form Follows Mood. Als Paul een romantische bui heeft verandert de site automatisch in een romantisch paradijsje met bloemetjesachtergrond en lieve tekeningetjes en tekstjes. Maar Paul kan ook helemaal zen zijn. Of geil…

Paul de Leeuw staat bekend om zijn grilligheid. Zijn stemmingen kunnen daardoor snel wisselen. De site verandert dus ook vaak van uiterlijk. Paul is ook een beetje ‘van ons allemaal’. Om dit gevoel te ondersteunen zorgt dit concept ervoor dat je Paul van dichtbij meemaakt.

Tweets met zogenaamde hash codes (#geil) zijn natuurlijk niet nieuw, maar het sturen van een website op basis van tweets is dat wel. De site zal de komende maanden langzaam uitgebouwd worden, bijvoorbeeld met muziek -natuurlijk passend bij zijn mood- en links naar specifieke producten.

Pauldeleeuw.tv is gebouwd op het framework Django. Dit maakte het mogelijk om het project in zeer korte tijd uit te voeren.

We zijn bijzonder trots met de geboorte van deze samen met E.V.A. Media ontwikkelde website!pauldeleeuw_romantisch

Nationaal Historisch Museum al passé voor het gebouwd is

Geplaatst op Frankwatching.nl - Door Paul Stork en Gert Hans Berghuis

Politiek Den Haag buitelt over elkaar in de zoektocht naar een geschikte locatie voor het Nationaal Historisch Museum Daarbij wordt vrijwel volledig aan de doelstelling voorbij gegaan. Nu lijkt er dan eindelijk voor een locatie gekozen te zijn. Maar laten we de bouw ervan gewoon laten zitten. Er is een beter alternatief.

Nederland kent al een enorm aantal musea, archiefinstellingen en andere fysieke plaatsen waar je wat kunt leren over onze geschiedenis. Geïnteresseerden kunnen er naar toe om een versnipperd stukje historie te zien aan de hand van authentieke stukken waar gezamenlijk naar gekeken wordt. Maar authentiek en gezamenlijk zijn niet meer genoeg. Want wat is een origineel stuk als de boekenkist van Hugo de Groot waard als er van de context van die kist (als het de echte is) niets meer over is en als je niet eens mag proberen of je er in past, en hoe lang je het vol kan houden terwijl je een kasteel uitgesmokkeld wordt? En hoe waardevol is gezamenlijk naar een hunebed kijken? Dat wordt pas echt een gezamenlijke ervaring als scholieren met man en macht moeten proberen om die zware stenen zelf te verplaatsen. Een fysiek museum wordt zonder die fysieke ervaring al snel zelf een museumstuk.

nationaal-historisch-museumSchets van het Nationaal Historisch Museum. Illustratie: TourPress

Doelgroep

Het is niet heel erg van deze tijd om te denken dat een fysiek museum bezoekers gaat trekken en zeker niet jongere bezoekers, behalve dan wellicht in de verplichte schoolreisjes. Natuurlijk zullen er bezoekers komen. Maar dat zijn dezelfde bezoekers die nu al veel weten over geschiedenis en waarbij de doelstelling van het nieuwe museum al lang bereikt is. Zo wordt het Nationaal Historisch Museum al snel net als veel andere musea marginaal of elitair en voegt het helemaal niets toe. En daar was het de politiek nu juist niet om te doen.

En andersom: is een fysiek museum wel geschikt om deze complexe inhoud onder te brengen? De plannen van het fysieke Nationaal Historisch Museum zoals die er nu liggen vormen een complex stelsel (door sommigen ‘hutspot’ genoemd) van portretten, canon en thema’s. Een stelsel dat in een fysieke driedimensionale werkelijkheid nauwelijks te volgen of uit te voeren is. Een door de politiek voorgestelde versimpeling tot een canon van 50 vensters gaat dat niet oplossen. Bezoekers willen immers meer context en willen vooral een toegesneden insteek. En laat het internet zich nu juist in die richting ontwikkelen.

Virtueel museum

Een groeiend (maar nog steeds te klein) aantal instellingen maakt nu al een virtueel museumbezoek mogelijk. De geboden context wordt dan te vaak nog bepaald door de relevantie voor het specifieke instituut en niet door de relevantie voor de bezoeker. De Gouden Eeuw is veel meer dan schilderijen en wat het Rijksmuseum daarover te vertellen heeft. Laat dat online Nationaal Historisch Museum daarom niet door één instelling beheren, maar knoop bestaande kennis en collecties online aan elkaar en laat specialisten op een bepaald gebied hun werk doen. Gebruik het internet als een samenhangend geheel van bronnen en werp daarbij geen nieuwe virtuele muren op. Delen van deze online infrastructuur zijn er nu al met websites als watwaswaar.nl, geheugenvannederland.nl en niet te vergeten allerlei vrij recente nieuwe zoeksystemen die op maat informatie verzamelen en combineren.

Op dit moment schermen diverse instituten online hun tuintje nog angstvallig af. De huidige politieke aandacht voor het onderwerp zou prima bruikbaar zijn om deze publiek betaalde instellingen wettelijk te verplichten om hun onderlinge aansluiting, uitwisseling en toegankelijkheid online te vergroten door gebruik van open standaarden. Daar begint immers context.

Een écht vernieuwend museum

En voor het gereserveerde budget en met de politieke aandacht is een geweldige experience te ontwikkelen die de museumwereld wereldwijd zal vernieuwen. Die mensen blijvend boeit vanuit een persoonlijk perspectief. Waar mensen zich over allerlei assen van context kunnen bewegen. Waar mensen op afstand van elkaar toch samen heen kunnen. Waar geen openingstijden zijn en geen grenzen. Waar taal eigenlijk geen rol speelt. Een Online Nationaal Historisch Museum voor iedereen. En biedt authentieke stukken voor wie dat belangrijk vindt: verwijs de echte liefhebbers naar de enorme hoeveelheid fysieke instellingen die Nederland al rijk is.

Een dergelijk museum zal maar een klik weg zijn voor het beoogde publiek dat zich onder andere op YouTube, Hyves en Marktplaats beweegt. Een doelgroep die noch marginaal, noch elitair is. Kiezen voor een online museum scheelt verder een hoop fossiele brandstof, ruimtebeslag en discussie. Het Online Nationaal Historisch Museum is dan overal en nergens tegelijk (dan is dat probleem ook opgelost…) en effectiever, interessanter en toegankelijker.

Paul Stork en Gert Hans Berghuis zijn partner bij ontwerpbureau Fabrique en onder andere betrokken bij de websites van Rijksmuseum Amsterdam, Beeld en Geluid, Koninklijke Bibliotheek, WatWasWaar, Museum Boijmans van Beuningen (in ontwikkeling), het Geheugen van Nederland, ThiemeMeulenhoff, Malmberg.

Succesvol minicongres ‘Erfgoed, Educatie, Inspiratie’

Op woensdag 25 juni organiseerde Fabrique voor haar relaties uit de erfgoed en educatie sectoren het minicongres ‘Erfgoed, Educatie, Inspiratie’. In Het Prinsenhof te Delft werd met lezingen en sessies ‘speedconcepten’ gezocht naar een vruchtbare kruisbestuiving tussen de onderwijs- en museumwereld.


De start van het programma bestond uit drie lezingen over het gebruik van nieuwe media. Dalida van Dessel van het Nederlands instituut voor Beeld en Geluid vertelde over Teleblik, een samenwerkingsverband tussen Beeld & Geluid, Kennisnet en Teleac/NOT. Teleblik stelt bronnen uit de archieven van de publieke omroepen en  het Polygoon Journaal online beschikbaar voor het onderwijs. Jeroen van Mastrigt van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, goeroe op het gebied van serious gaming, liet voorbeelden zien van games die op een educatieve manier worden ingezet. Paul Stork van Fabrique richtte zijn blik op de toekomst: als we ons nu bevinden in het tijdperk van Web 2.0 en user generated content, wat wordt dan Web 3.0 en Web 4.0?


De middag werd afgesloten met sessies ‘speedconcepten’, speeddaten in de vorm van brainstormsessies. Wat zou je doen met een plotseling gedoneerd budget van € 10.000,-? Bedenk een mashup,waarbij data uit verschillende bronnen worden samengevoegd. Of de meer ouderwetse vraag: wat kun je nog bij de consument met een gezellige plof op de deurmat laten vallen? Met een overlevingspakket bestaande uit vellen papier, stiften, stickers en zweetbanden kregen de deelnemers exact 20 minuten de tijd om in kleine groepjes oplossingen bij deze thema’s te bedenken.

Fabrique wint Red Dot Award 2005 voor Rijksmuseum.nl

rjksmuseum_0000_1
Website Rijksmuseum voor de derde keer in de prijzen gevallen

Fabrique is in de prijzen gevallen bij de Duitse Red Dot Awards voor de vernieuwde website van het Rijksmuseum. De Red Dot is een van de toonaangevende prijzen in de ontwerpwereld. De internationale jury gaf de onderscheiding voor ‘high design quality’.

Op woensdag 23 november vindt in Essen de awardsceremonie plaats. In totaal zijn er 3094 werken uit 26 landen ingezonden voor de Red Dot Communication Design Awards 2005. 223 daarvan zijn beloond met een award.

Derde internationale prijs voor Rijksmuseum.nl

De Red Dot Award is alweer de derde internationale prijs voor de in december 2004 volledige vernieuwde website van het Rijksmuseum. Onlangs kenden ook de Amerikaanse ADC Awards en de Duitse iF Awards een onderscheiding toe aan deze site. Daarnaast ontving het tweemaal een nominatie (Europrix, SAM Awards).

Rijksmuseum.nl wint ADC New York Merit Award

picture-1
Bij de 84e editie van de ADC Awards is Fabrique in de prijzen gevallen. De totaal vernieuwde website van het Rijksmuseum die eind 2004 online ging, is bekroond met een Merit Award in de categorie interactive.

Rijksmuseum.nl

De totaal vernieuwde website van het Rijksmuseum is sinds december 2004 online. Centraal staan de werken uit het museum, die op uitdagende manier toegankelijk zijn gemaakt. Fabrique is verantwoordelijk voor het concept en ontwerp, en ontwikkelde in samenwerking met Q42 een volledig nieuwe technische infrastructuur.

De website maakt gebruik van de mooie en beroemde collectie van het Rijksmuseum door met grote afbeeldingen of sterk uitvergrote details (vaak fullscreen, in zogenaamde schuivende panelen) te werken. Zo is bijvoorbeeld de Nachtwacht op beeldschermgrootte te bewonderen. Daarnaast fungeren de afbeeldingen als navigatiemiddel: het prikkelt om ‘door te klikken’ naar dieperliggende informatie.

In de database is de gehele collectie van het Rijksmuseum te vinden (www.rijksmuseum.nl/collectie). De bezoeker kan zoeken in meer dan 50.000 objecten, waarvan meer dan 10.000 objecten gepresenteerd worden met beeld. Dit is mogelijk dankzij de koppeling van de diverse inhoudelijke databases van het Rijksmuseum.

Om dit alles te kunnen realiseren is een innovatief systeem ontwikkeld dat ervoor zorgt dat de verschillende inventarisdatabases van het Rijksmuseum gekoppeld kunnen worden met het internetplatform. De bezoeker ervaart dit als één grote database. Het ‘open source’ systeem, dat volgens internationale standaarden is opgezet, zal ook worden aangeboden aan andere musea/instellingen, zodat ook daar eenvoudig een koppeling kan worden gemaakt.

ADC

De Art Director’s Club, opgericht  in New York sinds 1920, is de eerste organisatie voor geïntegreerde media en het eerste internationale creatieve collectief in zijn soort. Doel van de ADC is het promoten van de hoogste standaarden van uitmuntendheid en integriteit in visuele communicatie en het aanmoedigen van studenten en jonge professionals in de branche. De ADC heeft als voorbeeld gediend voor de Nederlandse ADCN in 1966.

In de ADC Annual Awards wordt het beste werk van de wereld op het gebied van print, reclame, interactieve media, grafisch ontwerp, packaging, fotografie en illustraties bekroond. Bij deze 84e editie ontving de ADC meer dan 10.000 inzendingen, waarvan er 384 in de prijzen vielen. Negen winnaars zijn afkomstig uit Nederland.

Voor Fabrique is het de tweede keer dat zij in de prijzen viel bij de ADC Annual Awards. In 2003 ontving Fabrique een Merit Award voor de campagnestijl Product Magic; een tentoonstelling op de Faculteit Industrieel Ontwerpen van de TU Delft.

Voor meer info: www.adcglobal.org