Fabrique maakt theatrale website voor Het Muziektheater Amsterdam

Het grootste theater van Nederland Het Muziektheater Amsterdam en Fabrique sloten de handen ineen en ontwikkelden een website die voldoet aan de hedendaagse eisen. Het resultaat is een op kaartverkoopgerichte website met een theatrale uitstraling.

Het Muziektheater Amsterdam koos voor Fabrique, vanwege onze heldere visie en strategie. Matthijs Klinkert, afdelingsleider Fabrique: “Het Muziektheater Amsterdam is een bijzonder theater waar producties van concept tot voorstelling in huis worden gemaakt en waar ook het beste aan dans en opera uit de hele wereld is te zien. Die rijkdom aan visuele theatervormen in combinatie met de nieuw ontwikkelde huisstijl van Koeweiden Postma waren voor ons de uitgangspunten om een website te maken.”
De website biedt veel mogelijkheden voor visuele informatie als filmtrailers en fotomateriaal. De donkere kleurvoering op de homepage brengt de bezoeker alvast in theatersferen. Het logo (een ontwerp van Koeweiden Postma) is in de homepage verwerkt met lichtpuntjes die verwijzen naar het plafond in de zaal van kunstenaar Peter Struycken. “Zonder veel doorklikken kan men direct online een kaartje bestellen. Dat is een groot verschil met de vorige website die letterlijk uit de vorige eeuw stamde,” aldus Sandra Eikelenboom, marketingmanager Het Nationale Ballet. Voor de huisgezelschappen Het Nationale Ballet en De Nederlandse Opera zijn binding met het publiek en kaartverkoop de belangrijkste pijlers van de website.

Kijk voor het complete seizoensoverzicht 2010-2011 nu op www.muziektheater.nl

het-muziektheater_homepage

Nieuwe website Fabrique gelanceerd

Hoera! De website van Fabrique is vernieuwd.

Wij denken&doen hét werk. Dat is het uitgangspunt geweest van de vernieuwing en herindeling van onze website. Het gaat immers om wat we doen (en denken dus).

Op onze vernieuwde site vind je uiteraard vertrouwde informatie terug. Bijvoorbeeld over wie we zijn (check wel even de nieuwe foto’s in het smoelenboek), wat hét werk is wat we doen (maar dan onderverdeeld in betere categorieën én met een slimme zoekfunctie) en uiteraard wie we zoeken om ons bedrijf te versterken (nu lekker overzichtelijk op 1 pagina).

Wat vooral nieuw is tref je aan onder het denken&doen gedeelte. Hier delen we graag met onze bezoekers welke ontwerpdisciplines we in huis hebben, hoe vervolgens ons werkproces van strategie tot exploitatie in elkaar steekt en wat onze belangrijkste uitgangspunten zijn voor het leveren van kwalitatief goed werk.

denken-doen-fabrique

En… check vooral ook het filmpje op onze vernieuwde homepage!

Uiteraard gaan we onze website de komende maanden verder vernieuwen. Zo krijgt het Engelse deel een update, migreren we dit naar de nieuwe stijl, gaan we onze visie delen in korte filmpjes en staat ook het uitbreiden van onze social tools hoog op de agenda.

Kortom: Houd de Fabrique site in de gaten!

Musea en het web: de laatste ontwikkelingen

Ontwikkelingen op internet gaan razendsnel en musea blijven hier niet bij achter. Social media, iPhones, iPads en augmented reality zijn in de museumwereld niet meer onbekend. Ook beginnen er volwaardige virtuele musea te komen. Naar aanleiding van mijn bezoek aan het congres Museums and the Web in Denver geef ik een overzicht van de laatste ontwikkelingen.

Bezoekers in een MuseumAl ruim 10 jaar wordt door de Noord-Amerikaanse organisatie Archives & Museum Informatics het congres Museums and the Web georganiseerd. Ik werk al geruime tijd met veel plezier voor diverse musea in Nederland en bezocht dit congres in april voor de vijfde keer. Een mooie gelegenheid om de balans op te maken.

In Europa zijn er ook allerlei (niet wetenschappelijke) congressen op dit gebied. Onlangs organiseerde DEN en Erfgoed Nederland het DISH congres. Op Koninginnedag was er in Engeland MuseumNext, georganiseerd door Jim Richardson. Desondanks trekken er ieder jaar ruim 40 Nederlandse museummensen naar Musea and the Web in Noord-Amerika. Wat van ver komt is blijkbaar lekker, of is men daar innovatiever dan hier? Dat laatste betwijfel ik. Een van de usual suspects is immers Sebastiaan Chen van het Powerhouse Museum in Sydney.

Waar blijft het virtuele museum?

Virtual Museum Dresden in Second LifeIn de beginjaren lag de aandacht bij standaardisatie en uitwisseling, zoals Open Archives Initiative en Dublin Core. Wat zou het mooi zijn als alle collecties van alle musea virtueel samengebracht zouden kunnen worden in een virtueel systeem. Zonder Google zou je dan alle schilderijen van Rembrandt of een hele kunststroming kunnen zien of archieven kunnen onderzoeken zonder te hoeven reizen.

In de werkelijkheid lag de aandacht van veel instellingen bij wat men marketing noemt: de promotie van het eigen instituut om zo meer fysieke bezoekers te trekken. Een logische ontwikkeling. Het web was net overgenomen door marketeers en de oorsprong (het uitwisselen van informatie) was wat naar de achtergrond geraakt.

De discussie over standaardisatie bleef vooral een virtuele discussie. Dit kwam niet zozeer door gebrek aan overeenstemming over de standaarden, maar simpelweg door het gebrek aan gedigitaliseerde collecties. Het digitaliseren van museale en archief collecties is een kostbare aangelegenheid. Niet alleen moeten objecten gefotografeerd worden (of eerdere registraties gedigitaliseerd), wat zeer kostbaar kan zijn, er moet vooral veel beschreven worden. Immers, pas met een goede beschrijving worden beelden online toegankelijk. En als er een virtuele (gedigitaliseerde) collectie is dan pas wordt een virtueel museum mogelijk. Let wel: alleen een virtuele collectie maakt nog geen virtueel museum. Daarvoor is een virtuele “plaats van inspiratie” nodig (en dan natuurlijk niet in Second Life). In de nabije toekomst zullen ontwikkelingen op het gebied van beeldherkenning en social media (tagging zoals bij Waisda) hier een belangrijke bijdrage gaan leveren.

Op het congres gaat een deel van de aandacht overigens uit naar zeer praktische zaken, waarbij een online museum nog ver weg lijkt. Welk contentmanagementsysteem moet je gebruiken? Op welk platform moet je bouwen en is dat dan wel toegankelijk voor Google en andere bezoekers met beperkingen? Dit komt deels door de zeer gemengde populatie van het congres, variërend van wetenschappers tot webmasters.

Samenwerking en collecties zonder muren

Steve MuseumIn de meer recentere jaren is er een aantal initiatieven ontstaan die de fysieke instellingen overstijgen. Zo was er het project Pachyderm dat software ontwikkelde waarmee instellingen eenvoudig online presentaties en collecties konden delen. Een succesvoller project is Steve: een social tagging systeem dat over collecties heen instellingen voorziet van een tagging module. Door deze centraal op te slaan ontstaan nieuwe verbindingen tussen collecties.

Een mooi samenwerkingsproject dat in 2009 gelanceerd werd en dit jaar een award won is ArtBabble. Dit initiatief van het Indianapolis Museum of Art (IMA) brengt video’s samen van verschillende instellingen. Het Nederlandse Van Gogh Museum en Museum Boijmans van Beuningen doen hieraan mee. IMA is een goed voorbeeld van een zeer actief museum, dat zich onderscheid door veel (technische) ontwikkeling in huis uit te voeren met een redelijk omvangrijke staf. Het management maakt daar blijkbaar andere keuzes, betrokken medewerkers hebben mogelijk meer vrijheid of financiering is anders geregeld. Naast ArtBabble lanceerde IMA dit jaar TAP en platform om mobiele tours te maken.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=Yb3xnhC0MKk[/youtube]

In Europa zijn er gelukkig ook samenwerkingsverbanden en platforms die de instellingen overstijgen. Voorbeelden hiervan zijn Europeana en het al langer levende Geheugen van Nederland.

Social media (geen web 2.0 meer)

Met de komst van web 2.0, dat nu gelukkig social media genoemd wordt, verschoof de aandacht in die richting. Eind maart vorig jaar ben ik naar aanleiding van dit congres begonnen met Twitteren. Bij de plenaire bijeenkomsten in 2009 was een twitterfeed te zien op 1 van de grote schermen en tijdens de opening haalde de hashtag #MW2009 heel even de top 10 twittertrends. Waar instellingen eerst de vraag stelden wat moeten we met Facebook of Flickr, was de vraag wat moeten we met Twitter. Amerikanen hebben het geweldige vermogen om de vraag achter de vraag over te slaan en meteen praktisch te worden en fenomenen als Twitter als gegeven te beschouwen. Dat talent brengt veel instellingen al daar in beweging, terwijl we hier vaak eerst willen nadenken en beleid willen maken. Ik denk dat experimenteren meer brengt dan formaliseren. De FaceBook pagina van Museum of Modern Art kent zo al een enorme schare fans. De mooie opening van Bred Feld een van de mannen achter Zygna’s FarmVille (”It’s so hard to contemplate in advance and so easy when you do it“) maakte duidelijk dat innovatie niet over techniek gaat maar over durf en vertrouwen.

Voorbeeld van actieve instellingen op het gebied van social media zijn de collectie van Powerhouse Museum op Flickr, Walk Art Center en Brooklyn Museum.

De aandacht voor social media was dit jaar vanzelfsprekend nadrukkelijker. De twitterfeed #mw2010 werd dit jaar niet meer geprojecteerd om afleiding te voorkomen. Maar zowel tussen de bezoekers als in de presentaties en workshops waren Twitter en ook FourSquare hip en happening. Zo kreeg het hotel direct een andere FourSquare Mayor.

participatie in een museum?

participatie in een museum?

Op de eerste dag volgde ik de workshop “Designing Platforms for Visitor Participation” door Nina Simon. Zij schreef onlangs het boek “The Participatory Museum” en stelde tijdens ons bezoek aan het Denver Museum of Nature & Science vast dat participatie niet altijd goed uitpakt (de participerende bezoeker op de foto is ondergetekende). De workshop richtte zich op het stellen van vragen aan bezoekers. Met welk soort vraag kan je reacties uitlokken en wanneer durven bezoekers deze reacties ook met elkaar te delen.

De organisatie had een speciale (semi) plenaire bijeenkomst “Social Media, Reconstructing the Elephant” gepland vlak voor de closing ceremonie. Er was een bijzondere vorm gekozen met een donkere zaal en harde muziek en dito aankondigingen van de sprekers. De inhoud viel vervolgens tegen. Vrijwel allemaal fantasieloze semi wetenschappelijke presentaties met veel bullets en weinig wol. Wel een mooi verhaal over de redding van Bletchley Park (waar Alan Turing werkte). De spreker, Sue Black, zet social media in om Blechtley Park te redden en had zelfs haar trip naar het congres via JustGiving laten sponsoren.

In dezelfde sessie kwam in de presentatie van Nancy Proctor ook een filmpje van een van de eerste draadloze rondleidingen langs uit 1952 van Stedelijk Museum, mogelijk de allereerste audio tour.

Mobiel museum?

SFMOMA Rooftop IPhone Tour

Naast social media is mobiel vanzelfsprekend en steeds belangrijker onderwerp. Ook hier veel aandacht voor het hoe en minder het wat of waarom. De WiFi tour van MoMA blijft hier een schoolvoorbeeld. Zorg dat er wifi is in het museum en laat bezoekers niet willekeurig surfen, maar breng ze naar je interactieve multimediale tour op hun eigen mobiel. Een interessant leerervaring die dit jaar naar voren kwam is dat je dan wel oortjes moet verhuren of verkopen (en mobiele telefoons toestaan in het museum).

SFMOMA presenteerde haar “Rooftop Garden iPhone Tour“. Tijdens de beurs waren er diverse bedrijven die een iPad weggaven en “out of the box” oplossingen boden voor mobiele tours en applicaties. Op de vraag bij een van de standhouders hoe de data uit een bestaande collectiedatabase in zo’n tour gebruikt kon worden was het antwoord “Everything is possible”.

Nederlandse bijdragen?

De Nederlandse delegatie heeft overigens niet alleen geluisterd. Er was een presentatie van Beeld en Geluid en KennislandMany heads are better than one“, een presentatie over “Van Gogh’s Letters” door Van Gogh Museum, Het NAI met “Connecting the Collection“.

Nederlandse musea staan ook zeker niet stil noch lopen zij achter. De mate van samenwerking is nog beperkt en mooie initiatieven blijven vaak beperkt tot de eigen website. De projecten en experimenten rond Beelden voor de Toekomst vormen een mooie uitzondering. Ook staan er steeds meer collecties online, zoals de recent gelanceerde collectie van het Amsterdams Historisch Museum en de collectie van Museum Boijmans van Beuningen. En laat ik een deel van ons eigen werk niet vergeten: ArtTube van Museum Boijmans van Beuningen, ArTours van Stedelijk Museum en last but not least de website van het Rijksmuseum.

Best of the Web Awards

Victoria & Albert Search the Collection

Jaarlijks worden er tijdens het congres prijzen uitgereikt in verschillende categorieën. De lijst van nominaties en prijswinnaars door de jaren heen geeft een mooi beeld van de ontwikkelingen. Naast de eerder genoemde ArtBabble waren er dit jaar prijzen voor onder andere MoMA’s Alzheimer project “Meet me” (categorie: Education), “Solar Stormwatch” (categorie: Innovative), het Nederlandse blog “Museum Marketing” (categorie: Museum Professional), “Victoria & Albert Search the Collection” (categorie: Research) en “Museu Picasso Online Community” (categorie: Social Media). Ik hoop dat er volgend jaar een categorie Mobile of Ubiquitous is.

Unconference

Unconference musea en mobiele zaken (foto: Mia)

Een van de belangrijkste ontwikkeling speelt zich geheel buiten de kaders van conferenties af. Een relatief jonge groep museummedewerkers en andere betrokkenen twittert er lustig op los. Die daarbij privé en zakelijk volledig mengen en actief bezig zijn met hun vak en onderzoeken wat internet daarbij kan betekenen. Een rol voor het web als primaire productiemiddel (naast collectie, gebouwen, presentaties en boeken). Een online museum waar je geïnspireerd wordt en kunt leren. Het web als communicatiemiddel (luisteren en praten), dat verder gaat dan een verzameling websites met webpagina’s. En het leuke is dat het daar ooit allemaal voor bedacht is.

De massale communicatie tijdens en na Museums and the Web 2010 werd mogelijk gestimuleerd door het feit dat vrijwel de hele Nederlandse ploeg een week moest nablijven vanwege de aswolk. Dit resulteerde onder andere in een bijzondere lunchsessie mede georganiseerd door Jasper Visser van het Nationaal Historisch Museum over musea, FourSquare en andere mobiele zaken.

Van A/B tot Conversie

“Luister nooit naar de klant!” Met deze gewaagde stelling begon marketeer Paul Postma zijn keynote op Emerce Conversion. Overigens voegde hij er aan toe ‘.. maar kijk naar wat hij doet’.  Dat maakt de stelling gelukkig al weer minder controversieel.

paulpostma

Paul Postma: ‘Luister nooit naar de klant!’

In Pakhuis de Zwijger te Amsterdam vond op 20 april de eerste editie van Emerce Conversion plaats. Specialisten van bureau- en klantzijde deden hier uit de doeken hoe zij conversie bereiken en verbeteren. Online wel te verstaan.
Overigens bleef het iets te vaak bij een tipje van de sluier, in verband met de hoeveelheid concullega’s in de zaal. En zo’n tipje is misschien leuk voor de sales, maar natuurlijk niet zo interessant.

Van meten naar weten
Er wordt vandaag de dag online weinig meer aan het toeval over gelaten. Zelfs het eigen vermogen om verbanden te herkennen en fouten op te sporen wordt steeds verder genegeerd.  Het komt vaak ter sprake: ‘de ideale bestelknop is rood’. ‘Niet waar’ zegt de partij die door A/B testen wijs is geworden: ‘bij ons werkt groen in het weekend beter!’. Een zaal verder wordt gespeculeerd dat ‘oranje’ toch echt beter werkt, want ‘rood’ is de kleur van stoppen. Conversie bereik je zelden met stilstand.

Is de knopkleur dan key in conversieoptimalisatie? Natuurlijk niet. We laten het tijdperk van gissen steeds meer achter ons. Elke site is uniek, elke gebruiker is uniek. Tel daar situationele factoren bij op en je hebt zoveel aspecten dat de ‘golden nut’ maar zelden in een sluitend model is uit te drukken. Laat staan dat we met goed bedoeld gissen alle conversiekillers kunnen opsporen en verhelpen. Of zoals Paul Postma stelt: ‘het brein zoekt en vindt verbanden, ook als die er helemaal niet zijn’.

Winning combinations zien we toch vooral in het continue verbeteringsproces. Een website is nooit af. Niet bij oplevering, zelfs niet na 3 jaar als hij al bijna aan vervanging toe is. Succescases laten zien dat het werken vanuit meetbare doelstellingen niet alleen het team scherp houdt, maar er vooral voor zorgt dat nieuwe of vernieuwde websites actief worden verbeterd om de doelen te bereiken.

Conversie vanaf de A van AIDA
Dat conversie al buiten de eigen website start werd goed duidelijk in de cases van twee bekende airlines. Behavioral targetting zorgt er voor dat prospects op basis van hun surfgedrag maatwerkbanners aangeboden krijgen, op sites van derden. Zo kan een actieve danceliefhebber, in een periode waarin hij af en toe aan het zoeken is naar een leuke zomertrip, op een zeker moment op een nieuwssite een banner krijgen met de tekst ‘Retour Ibiza, 150 euro!’. ‘Geinig’ denkt de argeloze surfer wellicht. Maar na het bekijken van het aanbod en verder surfen kan het zomaar voorkomen dat hij een dag later de banner krijgt: ‘Wat doe je hier nog’ om nog een stap verder geconfronteerd te worden met het ultieme aanbod ‘Retour Ibiza, nu 125 euro!’. De combinatie van behavioral targetting en re-targetting zorgt voor relevantie, maar kan ook een beetje gaan stinken als het om privacygevoeligheden gaat. Juridisch zit het wel goed, maar de consument krijgt niet altijd meer vertrouwen in een bedrijf dat nèt iets te veel informatie heeft.

Terwijl retargetting wordt gezien als de aanjager van het beslisproces, poneert Postma nog de stelling dat het traditionele AIDA model eigenlijk omgekeerd zou moeten zijn. Het zijn niet de verkoopargumenten die uiteindelijk voor een aankoopbehoefte zorgen, nee het is juist de eerste hebberigheid (neurologisch verklaard overigens) die voor een aankoopactie zorgt. De verkoopargumenten worden pas daarna relevant voor de verantwoording aan het thuisfront.

That’s the way the cookie crumbles
Er zal evengoed nog een tijd gediscussieerd worden over de vraag welke stap in het aankoopproces het meest waardevol is. Er is momenteel veel aandacht voor het zogenaamde ‘last cookie counts’ principe. Dat zit in een notendop zo: een bezoeker komt via een bannernetwerk op de site van een aanbieder, maar koopt nog niets. Een dag later komt hij via een zoekmachineadvertentie wederom op de website en doet dan de aankoop. Omdat de gebruiker als laatste via de zoekmachineadvertentie is binnengekomen, krijgt dat kanaal de credits voor deze aanschaf. Is dat eerlijk? Het eerste kanaal heeft immers ook bijgedragen aan de sale. Vaak is het nog complexer, met andere tijdsintervallen en meer kanalen zoals affiliates. Welk kanaal dan recht heeft op welk bedrag, is dan niet meer op basis van de laatste klik te bepalen.

Conversieattributie lijkt het antwoord te gaan worden op deze onduidelijkheid. Bij deze techniek worden bezoekers over langere tijd gevolgd in hun aankoopproces en blijven de verschillende verwijzende kanalen gekoppeld aan de bezoeker. Is de transactie voltooid; dan wordt op basis van een vooraf bepaalde staffel de commissie verdeeld over alle kanalen die aan de sale hebben bijgedragen. Klinkt eerlijk, niet?

Opschieten
Emerce Conversion bracht ons verder nog diverse presentaties over de inzet van webanalytics, mailings en zoekmachineoptimalisatie. Wat betreft het laatste: momenteel is de inlaadsnelheid van websites een hot item sinds Google heeft aangekondigd dit mee te laten wegen in de Pagerank. Opschieten dus!

Sjoerd van der Kooij

Pak je moeder helemaal in op Etos.nl

Hoe verwen je moeder op 9 mei? Etos.nl helpt radeloze vaders en kinderen met een handige Cadeauwijzer voor Moederdag. De Cadeauwijzer geeft je suggesties die passen bij de stille wensen van je moeder.

Tevens is er een reis naar IJsland te winnen met de liefste, grappigste, leukste of ontroerendste moederdagwens.

etos-cadeauwijzer

Allerhande online

Het magazine Allerhande van Albert Heijn is voortaan ook online te zien. Al sinds 1999 is Fabrique het vaste ontwerpbureau voor Albert Heijn. Naast ah.nl ontwierp Fabrique dan uiteraard ook deze Allerhande website.

Albert Heijn vindt het ‘een logische stap gezien de actuele ontwikkelingen in mediaconsumptie en kookgedrag’. Allerhande online is volgens AH allerminst een bladerbare versie van de papieren uitgave, die inmiddels 26 jaar bestaat.

Allerhande online biedt namelijk behalve de complete inhoud van het blad bijvoorbeeld extra recepten, soms voorzien van instructiefilmpjes over bereidingswijzen, korte reportages over de herkomst van producten en ‘De Tas’, een wekelijkse Bonuskookwedstrijd opgenomen in een van de winkels, compleet met presentator en echte kandidaten.

Allerhande online speelt ook in op de actualiteit met dagelijks nieuwe recepten in ‘Pluk de dag’, waar bijvoorbeeld een bord-op-schoot recept aan bod komt als het Nederlands elftal speelt. Interactiviteit is er met ‘Thuiskoks aan de kook’ waarin Allerhande thuiskoks hun passie voor koken en persoonlijke recepten kunnen delen.

allerhande-homepage

European Design Awards: 2 nominaties voor Fabrique!

De website City One Minutes (ism Max Kisman) en het jaarverslag 2008 voor Haag Wonen zijn genomineerd voor de European Design Awards 2010!

Het is de 4e editie van deze Europese competitie voor communicatieontwerp. De awards worden dit jaar uitgereikt op 30 mei in Rotterdam.

eda1

Fabrique ontwikkelt ARtours voor het Stedelijk Museum

Het Stedelijk Museum gaat op een nieuwe, innovatieve manier zijn collectie aan een breder publiek tonen door het toepassen van Augmented Reality (AR) techniek. Fabrique zal samen met Layar en het Stedelijk Museum werken aan deze nieuwe AR-applicatie “ARtours”.

Met ARtours creëert het Stedelijk een open source platform met een toepassing van Augmented Reality om op totaal vernieuwende wijze verhalen over de collectie te delen met het publiek. Daarnaast zal het museum publiek en professionals prikkelen zelf tours te ontwikkelen door het toevoegen van foto’s, informatie en verhalen.

Via een smart phone (zoals de iPhone of Android telefoon) kan men multimediale uitingen (audio, beeld, video, animatie) bekijken bij geselecteerde stukken uit de collectie. Niet alleen binnen, maar ook buiten het museum krijgt het publiek op een unieke virtuele wijze verrijkende verhalen bij kunstwerken en op plekken. Verhalen gecreëerd door zowel professionals als publiek.

Volgt men een ARtour in de stad, dan zal er door de smart phone te richten op getagde plekken, informatie opvraagbaar zijn over de verbinding van die plek met moderne kunst en design. Zo zal bijvoorbeeld de Harrenstein slaapkamer van Rietveld (1926) weer te zien zijn bij de oorspronkelijke locatie op de Weteringschans in Amsterdam. Of kan men een virtuele tentoonstelling bezoeken op de Dam of het Museumplein. Maar ook locaties als Schiphol (wachtende reizigers) of de trein (tijdens je reis kunst bekijken) bieden nieuwe mogelijkheden.

stedelijk_artours1
De applicatie geeft de mogelijkheid relevantie toe te voegen aan moderne kunst collecties. Door de objecten virtueel te tonen in een museumvreemde omgeving ontstaat daarnaast een totaal nieuw perspectief.

Het Stedelijk werkt samen met Fabrique en Layar aan de ontwikkeling van deze AR-applicatie. Wij kregen al eerder de opdracht van het Stedelijk om de nieuwe website te ontwikkelen. De AR applicatie en de website zullen een complementair geheel vormen.

Afgelopen maandag 14 december werd bekend dat het Stedelijk Museum uit de regeling Innovatie Cultuuruitingen van SenterNovem subsidie ontvangt voor het ARtours project. Naar verwachting zal het publiek in het najaar van 2010 op deze nieuwe wijze de collectie van het museum kunnen beleven en hiermee interacteren.

Fabrique op Webguide.nl

Webguide.nl helpt bezoekers bij het vinden van een passend internetbureau. Uiteraard ontbreekt Fabrique niet op deze nieuwe website, dat overigens een initiatief is van HighProfile.

Op de pagina’s van Fabrique vind je informatie over ons bureau en een aantal pakkende cases. Ons deel van deze site zullen we natuurlijk regelmatig updaten met meer cases, vacatures etc.

Check:
http://www.webguide.nl/internetbureaus/internetbureaus/fabrique-communicatie-en-design.3034.lynkx?q=Fabrique%20Communicatie%20en%20Design&pageStart=1″

webguide

Fabrique goes Django

Fabrique kiest voor Django als het software framework voor de webapplicaties die we ontwikkelen. Django is een open source framework dat gebruik maakt van de taal Python. Verderop wat uitleg over de voordelen van dit framework, maar eerst een korte geschiedenis.

Een korte geschiedenis

In het verleden hebben we webapplicaties gebouwd op basis van een scala aan platforms en programmeertalen, soms alleen en soms samen met anderen. In het begin was dat veelal Microsoft Active Server Pages (ASP) en programmeerde we in VBScript. Voor specifieke projecten bouwden we in Java, Java Server Pages (JSP) en PHP. Rond de eeuwwisseling namen we het besluit om projecten die we zelf uitvoerden in alleen nog in PHP te programmeren. Dat gaf veel voordelen onder andere omdat al onze serverside ontwikkelaars in dezelfde taal programmeerden. PHP was volwassener geworden en leek steeds meer object georiënteerd (zoals Java en C#, de taal die in Microsoft .Net wordt gebruikt). PHP bleef echter een beetje achter en de taal op zich is geen framework, waarmee hergebruik gestimuleerd wordt en gericht op het maken van software (versus het schrijven van code).

De keuze voor Django

Het afgelopen jaar hebben we diverse frameworks en platforms geëvalueerd, waaronder naast Django ook Microsoft .Net, Drupal en Joomla. We kwamen tot de conclusie dat een open source framework, waarin we veel vrijheid hebben in structuur, logica en presentatie onze voorkeur heeft. We kwamen tot de conclusie dat Drupal en Joomla teveel een contentmanagementsysteem (CMS) zijn en dat zochten we niet. Voor eenvoudige sites of juist voor sites met complexe content zoeken we samenwerking met partners als GX, Insyde of Hinttech waarmee we diverse websites hebben geïmplementeerd. Voor de sites die we zelf realiseren (complexe interacties of integraties met API’s) zochten we een meer open oplossing. Daarvoor bleven Microsoft .Net en Django over. Het voordeel van .Net is de ontwikkelomgeving die het programmeren ondersteund. Het nadeel is dat .Net niet open source is. Django is dat wel en heeft daarmee een grote groep ontwikkelaars achter zich, die de software zelf verbeteren en modules (projecten) ontwikkelen. Bijkomende factor is dat we een aantal .Net projecten uitvoeren samen met Q42 en voor het eigen platform en andere insteek willen kiezen. De keuze viel daarmee op Django.

Wat is Django?

“The web framework for perfectionists with deadlines”, zo omschrijft Django zichzelf. Een framework dus en geen contentmanagementsysteem. Een framework waarmee je een CMS kunt bouwen, maar waarmee je ook veel complexere applicaties en interacties kunt realiseren. Django kent een goede scheiding tussen data, logica en presentatie. Het beheergedeelte (admin) wordt automatisch gegenereerd op basis van het datamodel en kan vervolgens volledig getuned worden. Het template-systeem (presentatie) is eenvoudig te implementeren, ook door mensen zonder kennis van Python. Het framework kent een groot aantal bijdragen uit de community waarmee standaards als OpenId eenvoudig geïmplementeerd kunnen worden. Django is opgezet volgens het DRY (don’t repeat yourself) principe, waardoor we sneller en effectiever kunnen ontwikkelen en onderdelen beter kunnen hergebruiken. De programmeertaal Python waarop Django is gebaseerd is van Nederlandse bodem en wordt onder andere door Google gebruikt.

Waar hebben we Django al ingezet

In de afgelopen tijd hebben we Django ingezet voor de volgende websites:

Doet Fabrique dan alles alleen maar in Django?

Nee, we realiseren in samenwerking met onze partners ook projecten met bijvoorbeeld GX Webmanager ism GX (Elsevier, Jonge Gezinnen oa zwanger.nl), Tridion ism Hinttech (Tweede Kamer) en .Net ism Q42 (D-reizen). Fabrique kiest niet op voorhand voor een bepaalde technologie. De keuze hiervoor is steeds afhankelijk van eisen en doelstellingen in een project.